dinsdag 20 december 2016

Drie

De groep trekt verder richting Phandalin, om daar het nieuws over de gevangenneming van Gundren te gaan overbrengen en de kar veilig af te leveren. Ridder Sildar reist met hen mee, dankbaar voor het escorte.
Ze hebben de kar nog maar amper op zijn bestemming afgeleverd wanneer Luatha-Eimh alweer voor problemen zorgt. Door boze winkeleigenaar Elmar wordt ze herkend als lid van de Roodmerkbende, een troep bandieten die de streek onveilig maakt. Luatha vlucht snel de winkel uit, terwijl Aurea vermoeid in haar neusbrug knijpt – hoe kan ze deze stad nu beschaving bijbrengen als zelfs haar bondgenoten al kleine criminelen blijken?
Elmar wordt afgeleid met het bericht over Gundrens gevangenneming. Hij toont zich bezorgd, want Gundren droeg een kaart bij zich van zijn ontdekking. Samen met zijn broers zou hij de mijn van de legendarische Phandelvers hebben gevonden. Daar was ooit niet alleen minerale rijkdom maar ook magische kracht te vinden. Mabon herinnert zich verhalen die hij heeft gehoord over deze mijnen: zijn voorvaderen en de dwergen werkten er ooit samen. Dreigt de Smidse der Bezweringen waarover verteld wordt nu in handen van goblins te vallen?
Luatha sluipt intussen weer binnen en probeert Elmar met een ontdaan gezichtje te overtuigen dat ze haar leven gebeterd heeft. De winkeleigenaar is sceptisch. Aurea geeft de halfling een flinke preek over het belang van een nuttig leven en Luatha beperkt het ogenrollen tot de momenten dat de tovenares zich tot de anderen wendt. Verder knikt ze ijverig en belooft dat ze vanaf nu een modelburger zal zijn.
Daarna trekken ze naar het handelshuis van de Leeuwenschilden om er de kisten af te leveren die ze in de grot van de goblins hebben gevonden. Linena Grijswind staat hen te woord en ontvangt verheugd de verloren gewaande kisten. Ze belooft de groep een voorkeursbehandeling als ze ooit wapens willen kopen van de Leeuwenschildfamilie en geeft hen een waarschuwing mee: ze kunnen maar beter herberg “De Slapende Reus” vermijden, want daar houdt de Roodmerkbende zich op.
Luatha-Eimh leidt de groep vervolgens naar de boerderij van haar tante Qellina. Die ontvang haar nichtje met open armen en biedt ook de anderen een slaapplaats. Luatha’s neefje Carp komt zijn grote heldin meteen zijn avonturen vertellen: op zijn ontdekkingstochten heeft hij gehoord dat er stemmen klonken onder het landhuis van Phandalin…

De volgende morgen begeeft de groep zich naar het dorpshuis waar ze met ridder Sildar hadden afgesproken. Luatha-Eimh laat de rest alleen naar binnen gaan en stelt zich verdekt op achter het dorpshuis. Zolang ze haar naam niet gezuiverd heeft, wil ze liever niet met rotte eieren bekogeld worden.
Ridder Sildar stelt de groep een beloning ter hand voor zijn redding. Zijn naspeuringen naar de man die hij kwam zoeken, hebben nog niet zoveel opgeleverd, maar het is wel al duidelijk dat magiër Iarno Albrek wel degelijk is aangekomen in Phandalin. Daarna is hij echter spoorloos verdwenen in de buurt van het oude landhuis.
Intussen wordt Luatha omsingeld door Roodmerkbendeleden die vanuit het niets lijken op te duiken. Ze stelt zich heftig te weer en weet haar dolken in twee van hen te planten tegen de tijd dat de rest van de groep het gewoel heeft gehoord. Leanna schiet haar meteen te hulp en velt een van de andere bendeleden, terwijl Mabon naar voren stormt en de laatste aan zijn rapier rijgt. Aurea ziet het zuchtend aan: dit is niet hoe ze zich had voorgesteld de glorie van huis Corlijn te herstellen.
Na deze schermutseling is alleszins duidelijk geworden dat er met de Roodmerkbende zal moeten worden afgerekend als er enige rust in Phandalin wil kunnen ontstaan. Luatha-Eimh stelt voor om de vrouw op te zoeken die eveneens een appeltje met hen te schillen heeft: Halia Doornik, de gildemeesteres van de mijnwerkers.
Ze treffen Halia in het gildenhuis en krijgen van haar wat meer informatie over de Roodmerkbende: ze worden geleid door een magiër, Glastaf, en terroriseren de streek. Degene die deze dreiging zou weten weg te nemen, zal Phandalin een grote dienst bewijzen.
Dat is koren op de molen van Aurea die haar steun graag toezegt aan Luatha’s wraakplannen. Mabon verklaart zich ook meteen bereid om te helpen: deze onderdrukking kan niet langer voortduren! Onschuldige mensen die moeten leven in angst, nee: dat kan zo niet. De oorpuntjes van Leanna trillen zachtjes. In wat voor grimmig verhaal is ze hier beland? Maar ze luistert naar de wind en die fluistert niet dat ze deze taak terzijde moet schuiven. Ze besluit om bij haar nieuwe vrienden te blijven en hen bij te staan waar ze kan, al is het maar om hun morele kompas te zijn.

Wanneer ze tot een plan van aanpak proberen te komen, komt het spoor van het landhuis naar boven. Daar is magiër Iarno Albrek verdwenen. En daar hoorde Carp stemmen. Zou de magiër ontvoerd zijn door de Roodmerkbende? Hebben ze daar hun geheime hol?
Onder het landhuis vinden ze inderdaad een verborgen gang. Voorzichtig vatten ze de tocht naar binnen aan. De gang verwijdt zich tot een grot, waar het stinkt naar rottend vlees. In de schemering is niet veel te onderscheiden, maar de geur belooft niet veel goeds.
Luatha-Eimh wordt heen en weer geslingerd tussen haar verlangen om af te rekenen met Glastaf, die immers een prijs op haar hoofd zette, en de angst die ze voor de bendeleider koestert: wat voor magische verschrikkingen heeft hij hier in het donker verborgen?
Leanna stelt haar gerust: ze zal wel even op verkenning gaan. De halfling kijkt haar sceptisch aan – de tere halfelf zou het nog geen dag overleven in de Roodmerkbende. Maar Leanna sluit haar ogen en visualiseert een vorm van donkere schaduwen en lederachtige vlerken. Een ogenblik later fladdert vleermuis Leanna door de grot. Tot haar schrik ziet ze, verborgen achter een rotsformatie, een groot eenogig beest met scherpe tanden dat hen opwacht.
Wanneer ze verslag uitbrengt, schrikt dat Luatha-Eimh om de een of andere reden niet af, wel integendeel. De halfling zet de aanval in en stormt op het beest af. Haar kameraden zijn net iets te langzaam om te vermijden dat Luatha door het wezen in een nabije kloof wordt geslingerd.
Leanna roept een magisch licht op om een baken voor Luatha te vormen, maar trekt daarmee meteen de aandacht van het wezen. Ze voelt dat zijn geest de hare raakt en klauwen door haar geheimen proberen te harken. In tegenstelling tot wat de logica zou suggereren, trekt ze zich niet meteen terug, maar tracht het afzichtelijke wezen met vriendschap te benaderen. Ze biedt het wezen één van haar geheimen en voelt daarna dat het vooral uitgehongerd is. Nadat ze het een stukje vlees heeft toegeworpen, weet ze het te overhalen om haar de locatie van Glastaf te onthullen.
Intussen heeft Luatha de kloof waarin ze was gevallen verkend en heeft ze een kist getroffen onder de brug die het wezen bewaakt. Haar enthousiasme om die open te prutsen, daalt gevoelig wanneer ze een lijk naast de kist vindt, maar ze sleept hem toch maar mee tot een plek waar Mabon haar en de kist omhoog kan trekken.

De groep vermijdt de kamers waarachter ze rumoer van Roodmerkbendeleden horen en sluipt richting de kamer waar Glastaf zich moet bevinden. Zodra ze de kamer binnengaan, zien ze de gewaden van een magiër verdwijnen richting een aanpalend vertrek. De groep zet de achtervolging in en volgt Glastaf tot in een crypte, waar hij zich met een uitdagende glimlach naar hen keert. Zodra ze hem benaderen heft hij zijn armen en roept drie skeletten uit hun tombes om voor hem te vechten. Ze storten zich meteen op Mabon, die de voorhoede vormt. Luatha springt meteen op een kist en vanop haar uitkijkpunt haalt ze al snel een van de skeletten neer. Mabon rekent inmiddels met zijn knekelige tegenstander af, en Leanna legt onverbiddelijk de laatste van hen weer te rusten.
Daarna binden ze de strijd met Glastaf aan. Tegen de verenigde krachten van toverkunst, een glanzend rapier en Luatha’s wraaklustige dolken blijkt hij niet opgewassen, en de leider van de Roodmerkbende moet het onderspit delven.
Wanneer ze de kamers van Glastaf doorzoeken, doen ze een verrassende ontdekking: ze vinden er een brief, gericht aan Iarno Albrek, de verdwenen magiër naar wie ridder Sildar op zoek was. Is hij dezelfde als de Glastaf die ze net verslagen hebben…?