De kleine gnoom Mabon
groeide op in een gnomengemeenschap in het Nimmerwinterwoud. Zijn familie en
dorpsgenoten hielden zich altijd het liefst schuil in de bossen, zonder contact
te leggen met de mensen. Ze verborgen zich met gebruik van illusies en leefden
teruggetrokken, samen met eekhoorns, konijnen, boomelfjes en andere
vriendelijke woudwezens.
Mabon voelde zich
echter als kind al anders dan zijn dorpsgenoten. Hij was nieuwsgierig naar wat
zich buiten het territorium van de gnomen bevond en ging op verkenning. Elke
dag waagde hij zich wat verder van het beschermde gebied, tot hij vlakbij het
mensendorpje Donderden belandde. Hij sloop naderbij om deze vreemde wezens te
bestuderen, maar nog voordat hij de rand van het woud bereikte, liep hij tegen
spelende kinderen op.
De mensenkinderen en de gnomenjongen sloten vriendschap
met elkaar en spraken af om elkaar vaker te ontmoeten. Al gauw speelden ze op
elk vrij moment samen. Mabon waagde zich na verloop van tijd ook al eens het
dorp in. De inwoners van Donderden wenden aan de bezoekjes van de gnomenjongen,
die vaak met vurige bewondering naar het standbeeld van een plaatselijke
drakendoder op het dorpsplein stond te staren.
Toen kwam de dag
dat de aarde beefde en er rook de lucht in schoot. De kinderen hoorden
verbijsterd het zware gerommel dat uit de Hotenberg opklonk, en zagen de
gloeiende top beginnen vuurspuwen. Hij leidde zijn vriendjes langs
sluipweggetjes die alleen hij kende razendsnel naar huis. Bezorgde ouders
ontvingen de kinderen met open armen en vluchtten met hen voor de stromende
lava. Mabon vluchtte met hen mee. Veel later pas kon hij terugkeren en zien dat
de plek waar het gnomendorpje was geweest onder de lava bedolven was. Was zijn
familie tijdig weggekomen? Hadden ze hun sporen met ingewikkelde illusies
verborgen? Hij wist het niet…
Mabon werd
opgenomen in de familie van één van zijn vriendjes, wier vader een meubelmaker
was. Ook het mensendorp Donderden had zoveel schade gelopen dat het onbewoonbaar
was geworden. Hij trok met de mensen mee toen ze er wegzwierven en zich her en
der als reizende arbeiders verhuurden. ’s Avonds onderwees de vader zijn zoons
en Mabon in zijn ambacht, in de hoop zich uiteindelijk weer ergens te kunnen
vestigen. Maar het was moeilijk om daarvoor genoeg geld te verzamelen – al zijn
gereedschap was immers bedolven onder de lava. De familie belandde in de grote
stad Nimmerwinter. Ook hier kreeg Mabons stiefvader geen kans om zijn ambacht
uit te oefenen: noodgedwongen nam hij eenvoudig werk aan als arbeider in de
haven. Mabon en zijn stiefbroers volgden later in zijn voetsporen.
De gnoom mocht dan
wel de kleinste onder de arbeiders zijn, maar hij kwam het felst op voor de
rechten van zijn makkers. Hij voelde zich zwaar geschokt door de manier waarop
de ‘onbelangrijke’ arbeiders hier behandeld werden. Toen een voorman een
arbeider afranselde omdat die een zak graan had laten vallen, die was
opengescheurd zodat de inhoud in het water was gevallen, sprong hij er
onverschrokken tussen. Zijn mede-arbeiders wisten het sinds die dag zeker: ooit
zou deze kleine gnoom een groot man zijn.
Mabon hoopt om ooit
zijn aangenomen familie te kunnen terugbrengen naar het eens zo welvarende dorp
Donderden, en dit herop te bouwen. Verhalen vertellen dat er as-zombies
rondzwerven en volgens de geruchten zou een draak in de Oude Toren zijn nest
gemaakt hebben. Zijn toekomstplan lijkt dus bijna onmogelijk, maar daar trekt
de gnoom zich niks van aan: die draak zal hij verslaan, Donderden zal herleven
en zijn stiefvader zal weer de mooiste meubels van de wijde omgeving maken!

Geen opmerkingen:
Een reactie posten