maandag 10 juli 2017

Negen

Leanna wil niet weg uit het kasteel voor ze het altaar uit haar nachtmerries heeft gevonden. Mabon vindt het allang goed zo: is ze hier nu nóg niet klaar? Wanneer Leanna hem belooft dat ze hem zal helpen bij het verwijderen van zijn steen des aanstoots – het standbeeld – draait hij echter snel bij.
De groep gaat verder op verkenning in de ruimte. Achter een gordijn treffen ze een kapel. Het altaar is bedekt met een met bloed besmeurde doek, waarop rituele voorwerpen staan uitgestald. Leanna krijgt amper tijd om van haar ontzetting te bekomen.
‘Grijp ze! Voor Magubliyet!’ schreeuwt een goblinpriester en twee goblins storten zich onmiddellijk op Luatha-Eimh en Aurea. Luatha laat dat niet op zich zitten. Ze gooit trefzeker haar dolken en doet een van hen meteen ter aarde storten. Leanna slingert intussen woedend vuurschichten naar de hoofdpriester: deze ontaarde figuren moeten verdwijnen! Mabon schiet haar meteen te hulp en stort zich doldriest op de hoofdpriester. Voor de installatie van zijn standbeeld heeft hij wel iets over! Op het moment dat hij de hoofdpriester de pan in hakt, wervelt Leanna al richting de laatste overlevende goblinpriester. Met geheven zwaard stormt ze op hem af en hakt hem met een rake klap zijn hoofd af.
De rest van de groep kijkt enigszins onder de indruk naar de met bloed bespatte halfelf. Met een vredige glimlach op haar gezicht maakt ze haar zwaard schoon. Leanna koestert zich in de goedkeurende tevredenheid van de Aardmoeder, nu haar altaar is gereinigd.

Nu ze hier dan toch zijn, wil Mabon nog wel wat verder op verkenning en hij gooit vlotjes een deur open. Na enig rondsnuffelen treft hij een wapenrusting aan, waarop Aurea het wapen van ridder Sildar herkent. Ze worden bij hun onderzoek gestoord door vier hobgoblins, maar de groep stelt zich snel en krachtig teweer. De dreiging wordt afgeslagen, maar daarna besluiten ze dat het welletjes is geweest. Tijd om Gundren terug te begeleiden naar Phandalin.

Gundren staat inderdaad te trappelen om zijn broers terug te zien. Er wordt besloten om maar meteen te vertrekken, maar een onverwachte onderbreking nadert uit het woud. Een groep van vier hobgoblins, in gezelschap van twee wolven, komt met bebloede zakken aangebanjerd.
Luatha-Eimh besluit om plan ‘haal de hobgoblins naar onze kant’ nog een kans te geven. De bruten blijken daar echter geen oren naar te hebben en sturen meteen hun wolven op de groep af. Leanna heeft het helemaal gehad met alles wat op een goblin lijkt. Ze stuurt een woeste donderklap op hen af, die de hele troep laat schudden op hun benen. Nittis, haar wolvenvriend, stort zich zonder aarzelen op een van de wolven.
Aurea krijgt een rake aanval van een hobgoblin te verwerken. De ogen van de tovenares gloeien rood op en brullende vlammen omringen het wezen, dat prompt tot as vergaat. Pal daarna vuurt ze verzengende stralen op de hobgoblinleider en een van zijn soldaten af.
Mabon wordt in het nauw gedreven door een hobgoblin en een wolf, maar steekt woest om zich heen. Happende kaken en wapens ontwijkend, laat hij zijn rapier ‘Klauw’ flitsen. De kleine gnoom danst soepel heen en weer, en heeft binnen de kortste keren met zijn beide aanvallers afgerekend.
Leanna ziet dat Nittis het moeilijk heeft en verzamelt onmiddellijk haar genezende magie. De wolf wordt in een weldadig licht gehuld en vat de strijd met nieuwe energie weer aan. Niet veel later kan hij zijn tegenstander in het stof doen bijten.
Van bij het kasteel klinken alarmkreten op en de groep treuzelt niet langer: hoog tijd om de plaat te poetsen.

De reis verloopt verder voorspoedig, en tegen de avond bereiken ze de rand van het woud. Leanna is klaar om het moeilijke afscheid van haar wolf weer door te maken. Nittis verrast haar echter door naar een forse wolf uit zijn roedel toe te lopen. De twee communiceren een poosje en ze voelt hoe Nittis de leiding van de troep aan de andere wolf overdraagt. Daarna komt hij naar haar toe en kijkt haar rustig aan: hij is klaar om haar verder te begeleiden. Ontroerd en met het gevoel dat ze andermaal door de Aardmoeder is gezegend, legt ze haar hand achter zijn kop.

Na een weldadige nachtrust is het de volgende dag niet al te ver meer naar Phandalin. Tot hun schrik horen ze wapengekletter van op het centrale plein komen. Wanneer ze poolshoogte nemen, zien ze echter al snel dat het de voormalige Roodmerken zijn die onder leiding van ridder Sildar aan het oefenen zijn.
Gundren valt zijn trouwe vriend, die hij sinds hun gevangenneming niet meer had gezien, opgelucht in de armen. Tot zijn grote bezorgdheid hoort hij echter dat zijn broers, die al lang in Phandalin hadden moeten zijn, daar nooit zijn aangekomen. Wat kan er met hen gebeurd zijn? Hij vraagt de groep om hulp, en na enig overwegen zeggen ze toe dat ze de volgende dag naar de mijn zullen vertrekken om poolshoogte te gaan nemen. Aurea is geïntrigeerd door de magische voorwerpen die er ooit werden gesmeed, Mabon wil op zoek naar zijn familie, Leanna doet alles voor de dwerg die haar het leven heeft gered, en Luatha-Eimh? Luatha-Eimh zegt niet nee tegen een mijn vol rijkdom!
Eens dat besloten is gaat ze haar tante gedag zeggen. Haar neefje luistert met open mond toe als ze vertelt over haar avonturen: dat wil hij later nu ook!
Mabon steekt intussen een bezoekje bij Mirna af. Ze is ontroerd en blij bij het zien van het erfstuk dat nu om zijn hals hangt. Mabon en zij halen herinneringen op, en hij vindt bij de weduwe een warm plekje voor de nacht.
Aurea stelt haar gevangene, Favrik, onder de hoede van ridder Sildar. Gezien hij nog steeds niet bereid is om zijn trouw aan de drakenaanbidderscultus af te zweren, moet hij voorlopig maar gevangen gezet worden. Toch geeft ze het niet op. Ze heeft al uit hem gekregen dat hij de ambitieuze jongste zoon van een adellijke familie is, die naam voor zichzelf wilde maken. Als ze die drang een goede richting kan geven, dan kan hij nog nuttig zijn voor de opbouw van Phandalin. Daarna gaat ze de burgemeester opzoeken. Het lijkt haar wel verstandig om alvast goede banden aan te knopen met de plaatselijke gezagsdragers. Hij ontvangt haar eerst wat sceptisch, maar draait snel bij wanneer hij beseft dat hij te maken heeft met de dochter uit een adellijk huis. Hij verzoekt haar meteen om hulp: er is een orc-dreiging bij de Wyvernheuvel. Wie die weet af te wenden, kan rekenen op een fikse beloning…
Leanna wandelt intussen nieuwsgierig door het dorp. De halfelf is hier al een tijdje, maar ze staat er nog steeds versteld van hoe anders deze samenleving is dan haar eiland. Peinzend kijkt ze naar vaders die met hun kinderen spelen, en ze bidt tot haar godin dat ze de weg mag vinden naar haar eigen vader. Want dat hij nog leeft, daar is ze absoluut van overtuigd. Vroeg of laat zal ze hem terugvinden…

Aurea en Leanna komen ongeveer tegelijkertijd bij de herberg van het dorp. De herbergier, Toblen Steenheuvel, heeft al over hun wapenfeiten gehoord en ontvangt hen met open armen. Terwijl ze zitten te eten, komt een ex-avonturier zich voorstellen: Daran Edermaat. Hij is de eerste halfelf die Leanna hier ontmoet, en ze maakt verwonderd kennis. De oude halfelf heeft de nodige verhalen voor hen. In de heuvels ten oosten van Phandalin wordt er door een mysterieuze figuur gegraven tussen de ruïnes van de Oude Uilenput. Wat zou daar te vinden zijn? Goudzoekers die er in de buurt komen, worden verjaagd door ondoden… Er is heel wat gaande, zo rond Phandalin!