maandag 10 juli 2017

Negen

Leanna wil niet weg uit het kasteel voor ze het altaar uit haar nachtmerries heeft gevonden. Mabon vindt het allang goed zo: is ze hier nu nóg niet klaar? Wanneer Leanna hem belooft dat ze hem zal helpen bij het verwijderen van zijn steen des aanstoots – het standbeeld – draait hij echter snel bij.
De groep gaat verder op verkenning in de ruimte. Achter een gordijn treffen ze een kapel. Het altaar is bedekt met een met bloed besmeurde doek, waarop rituele voorwerpen staan uitgestald. Leanna krijgt amper tijd om van haar ontzetting te bekomen.
‘Grijp ze! Voor Magubliyet!’ schreeuwt een goblinpriester en twee goblins storten zich onmiddellijk op Luatha-Eimh en Aurea. Luatha laat dat niet op zich zitten. Ze gooit trefzeker haar dolken en doet een van hen meteen ter aarde storten. Leanna slingert intussen woedend vuurschichten naar de hoofdpriester: deze ontaarde figuren moeten verdwijnen! Mabon schiet haar meteen te hulp en stort zich doldriest op de hoofdpriester. Voor de installatie van zijn standbeeld heeft hij wel iets over! Op het moment dat hij de hoofdpriester de pan in hakt, wervelt Leanna al richting de laatste overlevende goblinpriester. Met geheven zwaard stormt ze op hem af en hakt hem met een rake klap zijn hoofd af.
De rest van de groep kijkt enigszins onder de indruk naar de met bloed bespatte halfelf. Met een vredige glimlach op haar gezicht maakt ze haar zwaard schoon. Leanna koestert zich in de goedkeurende tevredenheid van de Aardmoeder, nu haar altaar is gereinigd.

Nu ze hier dan toch zijn, wil Mabon nog wel wat verder op verkenning en hij gooit vlotjes een deur open. Na enig rondsnuffelen treft hij een wapenrusting aan, waarop Aurea het wapen van ridder Sildar herkent. Ze worden bij hun onderzoek gestoord door vier hobgoblins, maar de groep stelt zich snel en krachtig teweer. De dreiging wordt afgeslagen, maar daarna besluiten ze dat het welletjes is geweest. Tijd om Gundren terug te begeleiden naar Phandalin.

Gundren staat inderdaad te trappelen om zijn broers terug te zien. Er wordt besloten om maar meteen te vertrekken, maar een onverwachte onderbreking nadert uit het woud. Een groep van vier hobgoblins, in gezelschap van twee wolven, komt met bebloede zakken aangebanjerd.
Luatha-Eimh besluit om plan ‘haal de hobgoblins naar onze kant’ nog een kans te geven. De bruten blijken daar echter geen oren naar te hebben en sturen meteen hun wolven op de groep af. Leanna heeft het helemaal gehad met alles wat op een goblin lijkt. Ze stuurt een woeste donderklap op hen af, die de hele troep laat schudden op hun benen. Nittis, haar wolvenvriend, stort zich zonder aarzelen op een van de wolven.
Aurea krijgt een rake aanval van een hobgoblin te verwerken. De ogen van de tovenares gloeien rood op en brullende vlammen omringen het wezen, dat prompt tot as vergaat. Pal daarna vuurt ze verzengende stralen op de hobgoblinleider en een van zijn soldaten af.
Mabon wordt in het nauw gedreven door een hobgoblin en een wolf, maar steekt woest om zich heen. Happende kaken en wapens ontwijkend, laat hij zijn rapier ‘Klauw’ flitsen. De kleine gnoom danst soepel heen en weer, en heeft binnen de kortste keren met zijn beide aanvallers afgerekend.
Leanna ziet dat Nittis het moeilijk heeft en verzamelt onmiddellijk haar genezende magie. De wolf wordt in een weldadig licht gehuld en vat de strijd met nieuwe energie weer aan. Niet veel later kan hij zijn tegenstander in het stof doen bijten.
Van bij het kasteel klinken alarmkreten op en de groep treuzelt niet langer: hoog tijd om de plaat te poetsen.

De reis verloopt verder voorspoedig, en tegen de avond bereiken ze de rand van het woud. Leanna is klaar om het moeilijke afscheid van haar wolf weer door te maken. Nittis verrast haar echter door naar een forse wolf uit zijn roedel toe te lopen. De twee communiceren een poosje en ze voelt hoe Nittis de leiding van de troep aan de andere wolf overdraagt. Daarna komt hij naar haar toe en kijkt haar rustig aan: hij is klaar om haar verder te begeleiden. Ontroerd en met het gevoel dat ze andermaal door de Aardmoeder is gezegend, legt ze haar hand achter zijn kop.

Na een weldadige nachtrust is het de volgende dag niet al te ver meer naar Phandalin. Tot hun schrik horen ze wapengekletter van op het centrale plein komen. Wanneer ze poolshoogte nemen, zien ze echter al snel dat het de voormalige Roodmerken zijn die onder leiding van ridder Sildar aan het oefenen zijn.
Gundren valt zijn trouwe vriend, die hij sinds hun gevangenneming niet meer had gezien, opgelucht in de armen. Tot zijn grote bezorgdheid hoort hij echter dat zijn broers, die al lang in Phandalin hadden moeten zijn, daar nooit zijn aangekomen. Wat kan er met hen gebeurd zijn? Hij vraagt de groep om hulp, en na enig overwegen zeggen ze toe dat ze de volgende dag naar de mijn zullen vertrekken om poolshoogte te gaan nemen. Aurea is geïntrigeerd door de magische voorwerpen die er ooit werden gesmeed, Mabon wil op zoek naar zijn familie, Leanna doet alles voor de dwerg die haar het leven heeft gered, en Luatha-Eimh? Luatha-Eimh zegt niet nee tegen een mijn vol rijkdom!
Eens dat besloten is gaat ze haar tante gedag zeggen. Haar neefje luistert met open mond toe als ze vertelt over haar avonturen: dat wil hij later nu ook!
Mabon steekt intussen een bezoekje bij Mirna af. Ze is ontroerd en blij bij het zien van het erfstuk dat nu om zijn hals hangt. Mabon en zij halen herinneringen op, en hij vindt bij de weduwe een warm plekje voor de nacht.
Aurea stelt haar gevangene, Favrik, onder de hoede van ridder Sildar. Gezien hij nog steeds niet bereid is om zijn trouw aan de drakenaanbidderscultus af te zweren, moet hij voorlopig maar gevangen gezet worden. Toch geeft ze het niet op. Ze heeft al uit hem gekregen dat hij de ambitieuze jongste zoon van een adellijke familie is, die naam voor zichzelf wilde maken. Als ze die drang een goede richting kan geven, dan kan hij nog nuttig zijn voor de opbouw van Phandalin. Daarna gaat ze de burgemeester opzoeken. Het lijkt haar wel verstandig om alvast goede banden aan te knopen met de plaatselijke gezagsdragers. Hij ontvangt haar eerst wat sceptisch, maar draait snel bij wanneer hij beseft dat hij te maken heeft met de dochter uit een adellijk huis. Hij verzoekt haar meteen om hulp: er is een orc-dreiging bij de Wyvernheuvel. Wie die weet af te wenden, kan rekenen op een fikse beloning…
Leanna wandelt intussen nieuwsgierig door het dorp. De halfelf is hier al een tijdje, maar ze staat er nog steeds versteld van hoe anders deze samenleving is dan haar eiland. Peinzend kijkt ze naar vaders die met hun kinderen spelen, en ze bidt tot haar godin dat ze de weg mag vinden naar haar eigen vader. Want dat hij nog leeft, daar is ze absoluut van overtuigd. Vroeg of laat zal ze hem terugvinden…

Aurea en Leanna komen ongeveer tegelijkertijd bij de herberg van het dorp. De herbergier, Toblen Steenheuvel, heeft al over hun wapenfeiten gehoord en ontvangt hen met open armen. Terwijl ze zitten te eten, komt een ex-avonturier zich voorstellen: Daran Edermaat. Hij is de eerste halfelf die Leanna hier ontmoet, en ze maakt verwonderd kennis. De oude halfelf heeft de nodige verhalen voor hen. In de heuvels ten oosten van Phandalin wordt er door een mysterieuze figuur gegraven tussen de ruïnes van de Oude Uilenput. Wat zou daar te vinden zijn? Goudzoekers die er in de buurt komen, worden verjaagd door ondoden… Er is heel wat gaande, zo rond Phandalin!

dinsdag 20 juni 2017

Acht

Terwijl Mabon, Luatha-Eimh en Aurea wapens en defensieve magie gereedhouden, staat Leanna rustig op en wandelt kalmpjes in de richting van een enorme wolf die de open plek betreedt. De natuurpriesteres herkent verheugd haar vriend van tevoren: de wolf laat een konijn aan haar voeten vallen en blijft rustig staan terwijl ze hem bedankt. Een sfeer van bescherming en rust spreidt zich over haar uit, ze voelt de aanwezigheid van de Aardmoeder en buigt dankbaar haar hoofd.
Na een maaltijd van konijnenstoof die iedereen goed kon gebruiken na een lange reisdag, verloopt de rest van de nacht rustig.

De volgende ochtend overtuigt Leanna de rest ervan dat ze de wolven moeten volgen. Ze heeft het sterke gevoel dat ze haar begeleiden naar de plek waar ze moet zijn. Mabon is toch het spoor bijster, dus dit plan klinkt even zinnig als een ander. De rest volgt Leanna, die vol vertrouwen achter de wolven aangaat.
Tegen de middag blijkt dat vertrouwen terecht: een oud kasteel doemt op. Zeven ronde torens rijzen op. Ooit moet dit een indrukwekkend bastion zijn geweest, dat zeker niet door goblins is gebouwd. Momenteel lijkt het vervallen en verlaten genoeg om het toevluchtsoord van die wezens te zijn geworden.
Leanna staat een hele poos zwijgend naar het kasteel te staren. Ze herkent het uit een van de visioenen die haar soms plagen. Ergens in dit kasteel is een ontheiligd altaar van de Aardmoeder. Het is haar roeping om die situatie op de een of andere manier recht te zetten.
Favrik wordt achtergelaten onder de hoede van de wolven, en voorzichtig gaat de groep op verkenning. Ze blijken aan de zijkant van het kasteel beland, maar er is toch een soort toegang: achter een hoop puin is een doek verborgen, die een ingevallen stuk muur verbergt. 

Ze stappen naar binnen en belanden in een van de torens die het kasteel vormen. Algauw horen ze stemmen vanachter een deur komen: een paar ontevreden hobgoblins bespreekt de onwaardigheid van koning Grol. Niet alleen is hij een stuk dwazer dan van een goede koning verwacht mag worden, hij laat ook nog eens heel rare bezoekers toe.
Goed, het is duidelijk dat ze op de juiste plaats zijn. Maar waar bevindt Gundren zich? Leanna gaat in de gedaante van een piepklein spinnetje op onderzoek. Al snel weet ze de troonzaal te lokaliseren: koning Grol, geflankeerd door een oude, valse wolf, is onderhandelingen aan het voeren met een duisterelf. De ‘Zwarte Spin’ wacht vol ongeduld op de kaart die beloofd was, dus de duisterelf wil er snel mee terugkeren. Grol ziet hebberig een kansje om hier munt uit te slaan. In een hoekje ligt Gundren gekneveld zijn lot af te wachten, de dwerg is er niet al te best aan toe.
Het is duidelijk: ze zullen snel moeten zijn als ze niet willen dat Gundren wordt meegesleept naar het Onderduister. Maar eerst afrekenen met de hobgoblins die op wacht staan, anders worden ze daar straks nog door in de rug aangevallen!
Aurea ziet een kans: als ze een verbond met de ontevreden hobgoblins sluiten tegen Grol, dan komen ze misschien sneller dan verwacht tot hun doel. Deze hobgoblins klinken immers niet helemáál onbeschaafd…
Helaas, de hobgoblins laten zich niet overtuigen, en Aurea ziet zich al gauw gedwongen om haar argumenten te verruilen voor magische projectielen. Wanneer Luatha-Eimh van de verrassing van de hobgoblins gebruik maakt om haar dolken snel links en rechts te planten en Mabon zijn rapier laat zoeven, is met de hobgoblins afgerekend voor ze alarm hebben kunnen slaan.

Wat nu?

Er lijkt nog maar een mogelijke weg: een verrassingsaanval. Ze stormen de troonzaal in. Mabon en Luatha-Eimh rennen met getrokken wapens op de duisterelf af, terwijl Aurea en Leanna hun sterkste magie tegen de goblinkoning inzetten: pijlen van vernietigende magie slaan op hem in, en een gloeiende, vernietigende manestraal knipt boven hem aan.
Grol reageert meteen door zijn wolf op zijn aanvallers af te sturen. Mabon ziet het gevaar en snelt toe. Razende, gele tanden zetten zich in zijn vlees vast, maar de gnoom houdt onversaagd stand en weet met het valse beest af te rekenen. Leanna ziet dat de duisterelf haar kans schoon ziet om de gnoomstrijder in de rug aan te vallen en verplaatst haar gloeiende manestraal. De duisterelf schreeuwt het uit wanneer het heilige licht haar raakt. Haar gedaante en gezicht lijken weg te smelten. Een vreemd, amorf wezen neemt de plaats van de elf in. De onthulling van haar ware gedaante houdt haar echter niet tegen om haar doelen goed in het oog te houden. Ze ziet dat Luatha-Eimh naar de geknevelde Gundren is gerend om hem weg uit het strijdgewoel te slepen en spurt op de halfling af.
Luatha positioneert zich meteen beschermend boven de weerloze dwerg en verdedigt hem uit alle macht. Leanna lijkt zelf te gloeien van kracht, terwijl ze haar dodelijke straal achter het vreemde wezen aanstuurt. De voormalige elf duikt echter weg en stort zich op Gundren, met uitgestoken handen. Ze probeert de arme dwerg te wurgen – liever dat niemand hem krijgt, dan dat hij de ‘Zwarte Spin’ ontsnapt! Aurea slingert meteen magische projectielen naar het wezen, die haar net lang genoeg afleiden om Luatha-Eimh de kans te geven haar dolken op een fatale plaats te planten.
Inmiddels is Mabon in een verwoed gevecht verwikkeld met de goblinkoning. De gnoom heeft nog heel wat frustraties over scheve standbeelden bot te vieren en maakt van de gelegenheid gebruik om die allemaal los te laten. Net wanneer Grol denkt dat hij de gnoom een dodelijke slag zal weten toe brengen in een opening in zijn verdediging, steekt Mabon feilloos toe: zijn trucje wist ervoor te zorgen dat de goblinkoning zijn eigen flank onbeschermd liet, een fout die zijn laatste was.

Leanna doet onmiddellijk het nodige om Gundren bij te brengen. De dwerg komt wat verward bij zijn positieven. Luatha-Eimh komt meteen tot de kern van de zaak: waar is de kaart? Leanna jaagt haar verontwaardigd weg van bij de amper bijgekomen dwerg. Een beetje menselijkheid, graag! Luatha stampt mopperend weg – ze is niet eens een mens – en gaat dan maar zelf op zoek in de troonzaal. Gundren komt al gauw genoeg tot zichzelf om het met Luatha-Eimh eens te zijn: de kaart mag niet in verkeerde handen vallen! Hij is ervan overtuigd dat die niet ver kan zijn… Grol hield hem altijd dichtbij zich. En inderdaad: onder de slaapmat van de goblinkoning vinden ze de kostbare kaart.
Gundren is zichtbaar opgelucht wanneer de groep hem het kasteel uit begeleidt. Hij denkt er nu pas aan om naar ridder Sildar te vragen: is er enig nieuws van zijn vriend, die samen met hem gevangen werd genomen? Aurea kan hem geruststellen: Sildar is veilig in Phandalin. Gundren hoort het tot zijn grote opluchting aan.
De groep maakt zich op om weer te vertrekken, maar dat is buiten Leanna gerekend: ze moet en zal terug het kasteel in, want ze heeft het ontheiligde altaar van haar godin nog niet gevonden. Haar reisgenoten kijken haar twijfelend aan: moeten ze echt dat goblinkasteel weer in? Nu ze Gundren net gered hebben, lijkt het toch vooral zinnig om hem in veiligheid te brengen? Leanna schudt haar hoofd: deze taak is even belangrijk, het heiligdom kan niet langer in deze staat blijven.
Mabon haalt zijn schouders op. Als ze dat zo nodig wil, dan moet ze dat maar even gaan doen. Hij doet intussen wel een dutje. Luatha-Eimh ziet niet meteen praktisch nut in het schoonmaken van heiligdommen en houdt vooral een spiedend oog op de kaart. Zij blijft hier wel, om op Gundren te passen, zo verklaart ze. Aurea overweegt de situatie. Het lijkt niet erg praktisch om de vermoeide groep nu weer in chaos te storten. Anderzijds kunnen er natuurlijk geen barbaarse situaties als ontheiligde heiligdommen worden goedgekeurd. Maar is Leanna wel heel zeker dat het hier is? Misschien moet ze eerst maar eens poolshoogte nemen. De druïde knikt en neemt andermaal de gedaante van een piepklein spinnetje aan. 

Moedig gaat Leanna in haar eentje op onderzoek in het grote kasteel. Ongezien weet ze door lange gangen te trippelen en grote kamers te verkennen… tot ze in een ruimte komt waar in de hoeken van de gewelfde plafonden beelden naar beneden kijken. Ze herkent Oghma, Mystra en Lathander, goden die door mensen vereerd worden – ooit moet dit kasteel een roemrijk bouwwerk geweest zijn, opgetrokken door mensenhanden. En daar ziet ze Chauntea, of zoals zij haar kent: de Aardmoeder. Net wil ze instinctief dichter naar haar godin toegaan, wanneer beweging in de dakspanten haar doet opschrikken. Een reusachtige worm laat zich naar beneden zakken, klaar om deze kleine, achtpotige indringer in zijn domein onschadelijk te maken. Leanna kan haar spinnengedaante niet vasthouden terwijl ze deerlijk wordt toegetakeld, en moet het kasteel uit vluchten.
De rest van de groep ziet een verwilderde druïde naar buiten komen stormen. Mabon slaat zijn ogen ten hemel: deze halfelf is toch wel een dramatisch personage. Wanneer Aurea suggereert dat Leanna beter tot rust kan komen, zodat ze zichzelf kan genezen, wordt het de gekwelde natuurpriesteres te veel. Ze rent naar het woud, waar de wolf geduldig zit toe te kijken, en laat haar tranen in zijn vacht druppen. Het ontheiligde altaar, geen hulp van haar reismakkers, terwijl zij altijd voor hen klaarstaat met haar helende magie… in wat voor een kille wereld is ze beland, sinds ze van haar eiland is vertrokken?
De wolf laat haar geduldig haar gezicht met zijn vacht drogen en zijn gele ogen lijken een boodschap over te brengen: de Aardmoeder rekent op haar, ze moet de kracht in zichzelf vinden om door te zetten. Vastberaden haalt Leanna diep adem. Daarna marcheert ze naar haar groepsgenoten en deelt hen mee dat zij haar taak gaat vervullen, of er nu iemand met haar meegaat of niet. Moedig loopt ze weer naar het kasteel, in de weet dat ze haar roeping niet zomaar kan negeren. Even later hoort ze drie paar voetstappen achter haar aan komen. Mabon, Luatha-Eimh en Aurea volgen hun strijdmakker tot in de donkere diepten van het kasteel.
Leanna voelt een sprankje hoop bij deze steun en laat zich zelfs niet uit het veld slaan wanneer de worm nergens te bekennen is en Mabon sceptisch vraagt of ze het niet gedroomd heeft. Ze gaat onverdroten op zoek naar het altaar dat hier ergens moet zijn. Dan gilt Luatha-Eimh het uit. Een reusachtige worm heeft zich voor haar voeten op de grond laten vallen. Ze wordt gegrepen door de zwiepende tentakels van het beest en haalt vruchteloos met haar dolken uit, terwijl die haar richting zijn scherpe kaken beginnen te trekken. Leanna schiet haar meteen te hulp met magisch vuur, en Mabon vliegt erop af met zijn rapier. Het beest laat Luatha-Eimh vallen en richt zich meteen op deze nieuwe aanvaller. De gnoom weet echter de tentakels te ontwijken en drijft zijn rapier met een flitsend gebaar door de kop van de worm.
Het is weer stil in de kapel van eertijds en Leanna kijkt met een huivering om zich heen. Hoe kan ze hier ooit weer een atmosfeer scheppen waar de Aardmoeder zich thuisvoelt? Luatha-Eimh heeft niet zoveel zwaarwichtige gedachten. Als dit ooit een soortement tempel was, dan is er misschien wel een of andere goede gift in een hoekje gerold, die veiliger in de zakken van een zekere halfling zou zijn? Ze snuffelt bedrijvig rond, en verborgen onder de koude kolen in een komfoor treft ze een zwaar voorwerp aan. Nieuwsgierig vouwt ze de doeken waarin het gewikkeld is open. Haar ogen beginnen te blinken zodra ze de gouden glans ziet van een klein beeldje dat een vrouw met volle, ronde vormen voorstelt. 
Wanneer Leanna ziet wat Luatha vastheeft, grist ze het haar uit handen. Zodra de oeroude beeltenis van haar godin in haar eigen handen ligt, weet ze een ding zeker: ze moet de Aardmoeder met zich meenemen en haar een nieuw, waardig thuis geven. Hier kan ze niet blijven. Toch is er nog iets dat aan haar knaagt: ze moet het ontheiligde altaar nog steeds vinden…

woensdag 24 mei 2017

Zeven

Wanneer Mabon van het plan hoort om de sprite te offeren aan de draak, ontsteekt hij in woede. Dit zijn onderdrukkers in het kwadraat! Hij heeft meteen een sanctie klaar: ze kunnen de sekteleider aan de draak offeren, dan weet hij meteen hoe dat voelt.
De rest is niet meteen overtuigd. Hoe helpt hen dat verder?
Heel eenvoudig, stelt Mabon, dan kunnen ze zelf een bondgenootschap met de draak sluiten. Als zijn groepsleden dan toch te bang zijn om die aan te vallen.
Aurea ziet zowaar wel enige voordelen in dit plan: aangezien ze straks een opgeruimd Donderden weer moeten achterlaten, zou het niet slecht zijn om een machtige bondgenoot te hebben die een oogje in het zeil houdt. Leanna en Luatha-Eimh horen het vol afgrijzen aan: ze gaan toch niet zomaar iemand aan een draak voeren?
De sekteleider komt halverwege deze besprekingen weer bij bewustzijn. De loop van het gesprek motiveert hem alleszins om antwoord te geven op de vragen die hem gesteld worden. Hij bevestigt de verdenkingen over hun activiteiten. Nadat de sekte vier jaar geleden uit elkaar viel nadat een groepje helden de plannen om Tiamat - de kwaadaardige drakengodin - naar deze wereld te halen, verijdelde, is er nu een machtsvacuüm. Een ambitieuze aanbidder zou weleens van dat gat kunnen profiteren, mits de juiste offers die hem in de rangen doen stijgen…
Mabon raakt er niet bepaald milder van gestemd. Een tiran in wording, naar de draak ermee. Wanneer de rest daar niet meteen mee instemt, gaat hij mokkend de laatste hoek van het dorp inspecteren. Het vernielde dorpsplein en scheefgezakte standbeeld maken hem alleen maar bozer. Wat staat dat stomme standbeeld daar nog te doen? Met inspanning van al zijn krachten probeert hij het omver te duwen. Hier komt de plek waar zijn eigen standbeeld zal prijken, eens hij Donderden eens en vooral gezuiverd heeft!
De rest van de groep besluit om voor de veiligheid snel de laatste gebouwen te inspecteren. Terwijl ze hier staan te discussiëren over het lot van de drakenaanbidder kan er om het even wat op hen loeren vanuit de barakken!
Luatha-Eimh sluipt rondom het gebouw terwijl Mabon nog steeds verwoede pogingen doet om het standbeeld omver te duwen en behoorlijk verontwaardigd is dat niemand hem wil helpen. Leanna ziet zijn zielstroebelen bezorgd aan. Wanneer Luatha-Eimh vlotjes het raam door springt om de drie lijken te gaan inspecteren die ze heeft zien liggen, slaakt ze al snel een alarmkreet wanneer die overeind komen om haar nieuwsgierige vingertjes af te weren.
Mabon snelt naar de deur: actie! Dat kan hij gebruiken! De deur zit echter muurvast en ondanks hevig gerammel, geeft die niet toe. Leanna en Aurea vliegen naar een raam en vuren magische projectielen op de ondoden af die Luatha-Eimh trachten te omringen en langzaam maar zeker insluiten. Mabon beseft dat de deur hem niet verder helpt, stormt naar een ander raam, slingert zich naar binnen en landt op de nek van een van de zombies. Zijn rapier flitst en meteen is er een zombie minder. Twee andere zijn een stuk hardnekkiger en klauwen verwoed in het rond. Luatha stormt griezelend naar een raam en springt richting zuivere lucht, terwijl een tweede zombie sneuvelt onder de verwoede aanvallen van haar vrienden.
De derde blijkt de taaiste, ondanks herhaaldelijke klappen die dodelijk hadden moeten zijn, blijft hij voortschuifelen en uithalen, neervallend en wankelend weer opstaand. Leanna staakt haar aanvallen en kijkt bedroefd naar het wezen. Er ontbreekt iets in hun aanpak.
‘Ik vergeef je,’ zegt ze liefdevol. ‘Je mag verdergaan.’
Heeft de zombie haar boodschap begrepen? Het eerstvolgende salvo wordt hem fataal en het wordt stil in de barak.

Nu het dorp is schoongeveegd blijft er maar een vraagstuk over: wat gaan ze doen met hun gevangene?
Aurea besluit om idee ‘bondgenootschap met de draak’ niet meer te steunen. Paranoïde draken zijn geen fatsoenlijke bondgenoten. Mabon gaat mopperend tegen het standbeeld schoppen, terwijl Luatha-Eimh, opgefokt door het gevecht, voorstelt om de sekteleider bij de spinnen van Leanna op te sluiten. De halfelf fleurt meteen op na haar droeve taak van zo-even: haar beestjes krijgen eten?
Aurea keurt het plan echter af: dat is net hetzelfde als de man aan de draak voeren, en dan nog zonder dat er politiek voordeel aan verbonden is. Er moet op een beschaafde manier met deze kwestie worden omgegaan. Wanneer ze de man nog wat verder ondervraagd, komt ze erachter dat het voorgenomen offer zijn eerste was. De rest van de groep ziet tot hun ontzetting dat een lichtje gaat branden in de ogen van de adellijke tovenares. Aurea vraagt hun gevangene vriendelijk naar zijn naam en steekt vervolgens tegen een verblufte Favrik een betoog af over de voordelen van het meewerken aan een geciviliseerd Phandalin. Zou hij niet liever een eerlijk man worden en deel zijn van dit historische gebeuren?
En jawel, Aurea heeft een nieuw slachtoffer gevonden voor haar beschavingsplan. Als ze de Roodmerken tot wachters kon maken, dan kan ze deze ene cultist toch zeker wel tot een nuttige burger omvormen? Tot ieders verbazing blijkt de man niet geheel ongevoelig voor haar woorden, al houdt hij zich nog zo vast aan zijn geloof. Elke suggestie van haar makkers dat nog te bezien staat of het allemaal wel goed is gekomen met de Roodmerkbende, legt ze koppig naast zich neer: Favrik is haar project en ze neemt hem mee.
Mabon kan het allemaal geen bal schelen, zolang dat vermaledijde standbeeld maar wordt omgeduwd. Hij sommeert Favrik hem te helpen, en wanneer de verbijsterde man dat doet – zij het zonder resultaat – is de grillige gnoom bereid om hem mee te laten komen. Leanna en Luatha-Eimh protesteren tevergeefs: wat is er gebeurd met plan ‘naar de spinnen’? Aurea wil er niets meer over horen en bindt Favrik aan haar paard. Op naar Kasteel Spitsmuil om Gundren Steenzoeker te bevrijden!
Leanna’s lange oren bewegen zachtjes en ze knikt instemmend. Ze is haar redder haar leven verschuldigd, het wordt inderdaad hoog tijd om hem te gaan bijstaan, nu druïde Reidoth hen de locatie heeft gegeven. Luatha-Eimh peinst stilletjes over de fabelachtige rijkdommen die in de vergeten mijn te vinden zouden zijn… en waar Gundren een kaart van heeft. Mabon is best tevreden over zijn schoonmaak van Donderden (die draak, daar rekent hij nog wel een keer mee af), en heeft dezelfde kaart in gedachten: zouden daar doorgangen op staan die naar het Onderduister leiden?
Naar Kasteel Spitsmuil!

De groep besluit om door het Nimmerwinterwoud te steken. Aanvankelijk vorderen ze gestaag, met Mabon op kop, die voor hen een weg door de begroeiing zoekt. Leanna rijdt vlak achter hem, en houdt de omgeving nauwlettend in het oog. Er worden immers vreemde verhalen over dit woud verteld…
Een hele poos gaat alles goed, behalve dan dat Aurea de groep stierlijk verveeld door Favrik van tijd tot tijd te bestoken met preekjes over een eerlijk leven. Ze laat zich niet tegenhouden door het feit dat ze niet al te veel vooruitgang maakt. Nimmerwinter is niet op een dag gebouwd.
Leanna waarschuwt dat ze een vreemd gerucht heeft opgevangen. Ze houden halt en turen in de aangegeven richting. Ze huivert van afschuw wanneer een groot beest naderbij komt. Het lijkt een dier, maar is het niet: de uilbeer is het resultaat van magische experimenten die niets meer te maken hebben met de natuur. Haar reisgenoten kijken verbaasd toe hoe de druïde haar krachtigste magie oproept: een zuil van maanlicht hangt als een beschermende wand voor hen, in het pad van het aanstormende beest. Aurea reageert meteen met een vuurbal, en Luatha-Eimh legt aan en schiet. Mabon trekt zijn rapier en vliegt erop af, maar de vernietigende kracht van Leanna’s magie zorgt ervoor dat het beest hen niet eens bereikt: zijn agressieve, kunstmatige leven neemt een snel einde.
Luatha-Eimh springt van haar pony en trippelt naderbij om een paar veren te verzamelen voor haar pijlen. Fantaseert ze over een uilenbeerbende? Leanna, haar fijngevoelige gezichtje ernstig, weigert verder te gaan voor ze dit wezen begraven heeft: als zijn botten vergaan in de aarde, zal deze abominatie uitgewist worden.

De volgende dag verloopt rustig, tot de schemering begint te vallen en Mabon moet toegeven dat hij de richting is kwijtgeraakt: ze lopen al een poosje in kringetjes… De groep besluit om een kamp op te slaan voor de nacht – althans, Leanna, Luatha-Eimh en Mabon zetten zich aan het werk. Aurea probeert haar gevangene er inmiddels van te overtuigen om een handje toe te steken als een stap in de richting van zijn nieuwe leven. Hij spuugt minachtend op de grond: hij dient de drakengodin, hij is niet van plan om de bediende van een zwervende bende te worden.
Het wordt steeds donkerder wanneer een ijzingwekkend gehuil door de nacht klinkt, dat van verschillende kanten wordt opgepikt en herhaald. Alleen Leanna schiet opgewekt overeind wanneer minstens zes paar geel opgloeiende ogen van alle kanten naderbij komen…