dinsdag 20 juni 2017

Acht

Terwijl Mabon, Luatha-Eimh en Aurea wapens en defensieve magie gereedhouden, staat Leanna rustig op en wandelt kalmpjes in de richting van een enorme wolf die de open plek betreedt. De natuurpriesteres herkent verheugd haar vriend van tevoren: de wolf laat een konijn aan haar voeten vallen en blijft rustig staan terwijl ze hem bedankt. Een sfeer van bescherming en rust spreidt zich over haar uit, ze voelt de aanwezigheid van de Aardmoeder en buigt dankbaar haar hoofd.
Na een maaltijd van konijnenstoof die iedereen goed kon gebruiken na een lange reisdag, verloopt de rest van de nacht rustig.

De volgende ochtend overtuigt Leanna de rest ervan dat ze de wolven moeten volgen. Ze heeft het sterke gevoel dat ze haar begeleiden naar de plek waar ze moet zijn. Mabon is toch het spoor bijster, dus dit plan klinkt even zinnig als een ander. De rest volgt Leanna, die vol vertrouwen achter de wolven aangaat.
Tegen de middag blijkt dat vertrouwen terecht: een oud kasteel doemt op. Zeven ronde torens rijzen op. Ooit moet dit een indrukwekkend bastion zijn geweest, dat zeker niet door goblins is gebouwd. Momenteel lijkt het vervallen en verlaten genoeg om het toevluchtsoord van die wezens te zijn geworden.
Leanna staat een hele poos zwijgend naar het kasteel te staren. Ze herkent het uit een van de visioenen die haar soms plagen. Ergens in dit kasteel is een ontheiligd altaar van de Aardmoeder. Het is haar roeping om die situatie op de een of andere manier recht te zetten.
Favrik wordt achtergelaten onder de hoede van de wolven, en voorzichtig gaat de groep op verkenning. Ze blijken aan de zijkant van het kasteel beland, maar er is toch een soort toegang: achter een hoop puin is een doek verborgen, die een ingevallen stuk muur verbergt. 

Ze stappen naar binnen en belanden in een van de torens die het kasteel vormen. Algauw horen ze stemmen vanachter een deur komen: een paar ontevreden hobgoblins bespreekt de onwaardigheid van koning Grol. Niet alleen is hij een stuk dwazer dan van een goede koning verwacht mag worden, hij laat ook nog eens heel rare bezoekers toe.
Goed, het is duidelijk dat ze op de juiste plaats zijn. Maar waar bevindt Gundren zich? Leanna gaat in de gedaante van een piepklein spinnetje op onderzoek. Al snel weet ze de troonzaal te lokaliseren: koning Grol, geflankeerd door een oude, valse wolf, is onderhandelingen aan het voeren met een duisterelf. De ‘Zwarte Spin’ wacht vol ongeduld op de kaart die beloofd was, dus de duisterelf wil er snel mee terugkeren. Grol ziet hebberig een kansje om hier munt uit te slaan. In een hoekje ligt Gundren gekneveld zijn lot af te wachten, de dwerg is er niet al te best aan toe.
Het is duidelijk: ze zullen snel moeten zijn als ze niet willen dat Gundren wordt meegesleept naar het Onderduister. Maar eerst afrekenen met de hobgoblins die op wacht staan, anders worden ze daar straks nog door in de rug aangevallen!
Aurea ziet een kans: als ze een verbond met de ontevreden hobgoblins sluiten tegen Grol, dan komen ze misschien sneller dan verwacht tot hun doel. Deze hobgoblins klinken immers niet helemáál onbeschaafd…
Helaas, de hobgoblins laten zich niet overtuigen, en Aurea ziet zich al gauw gedwongen om haar argumenten te verruilen voor magische projectielen. Wanneer Luatha-Eimh van de verrassing van de hobgoblins gebruik maakt om haar dolken snel links en rechts te planten en Mabon zijn rapier laat zoeven, is met de hobgoblins afgerekend voor ze alarm hebben kunnen slaan.

Wat nu?

Er lijkt nog maar een mogelijke weg: een verrassingsaanval. Ze stormen de troonzaal in. Mabon en Luatha-Eimh rennen met getrokken wapens op de duisterelf af, terwijl Aurea en Leanna hun sterkste magie tegen de goblinkoning inzetten: pijlen van vernietigende magie slaan op hem in, en een gloeiende, vernietigende manestraal knipt boven hem aan.
Grol reageert meteen door zijn wolf op zijn aanvallers af te sturen. Mabon ziet het gevaar en snelt toe. Razende, gele tanden zetten zich in zijn vlees vast, maar de gnoom houdt onversaagd stand en weet met het valse beest af te rekenen. Leanna ziet dat de duisterelf haar kans schoon ziet om de gnoomstrijder in de rug aan te vallen en verplaatst haar gloeiende manestraal. De duisterelf schreeuwt het uit wanneer het heilige licht haar raakt. Haar gedaante en gezicht lijken weg te smelten. Een vreemd, amorf wezen neemt de plaats van de elf in. De onthulling van haar ware gedaante houdt haar echter niet tegen om haar doelen goed in het oog te houden. Ze ziet dat Luatha-Eimh naar de geknevelde Gundren is gerend om hem weg uit het strijdgewoel te slepen en spurt op de halfling af.
Luatha positioneert zich meteen beschermend boven de weerloze dwerg en verdedigt hem uit alle macht. Leanna lijkt zelf te gloeien van kracht, terwijl ze haar dodelijke straal achter het vreemde wezen aanstuurt. De voormalige elf duikt echter weg en stort zich op Gundren, met uitgestoken handen. Ze probeert de arme dwerg te wurgen – liever dat niemand hem krijgt, dan dat hij de ‘Zwarte Spin’ ontsnapt! Aurea slingert meteen magische projectielen naar het wezen, die haar net lang genoeg afleiden om Luatha-Eimh de kans te geven haar dolken op een fatale plaats te planten.
Inmiddels is Mabon in een verwoed gevecht verwikkeld met de goblinkoning. De gnoom heeft nog heel wat frustraties over scheve standbeelden bot te vieren en maakt van de gelegenheid gebruik om die allemaal los te laten. Net wanneer Grol denkt dat hij de gnoom een dodelijke slag zal weten toe brengen in een opening in zijn verdediging, steekt Mabon feilloos toe: zijn trucje wist ervoor te zorgen dat de goblinkoning zijn eigen flank onbeschermd liet, een fout die zijn laatste was.

Leanna doet onmiddellijk het nodige om Gundren bij te brengen. De dwerg komt wat verward bij zijn positieven. Luatha-Eimh komt meteen tot de kern van de zaak: waar is de kaart? Leanna jaagt haar verontwaardigd weg van bij de amper bijgekomen dwerg. Een beetje menselijkheid, graag! Luatha stampt mopperend weg – ze is niet eens een mens – en gaat dan maar zelf op zoek in de troonzaal. Gundren komt al gauw genoeg tot zichzelf om het met Luatha-Eimh eens te zijn: de kaart mag niet in verkeerde handen vallen! Hij is ervan overtuigd dat die niet ver kan zijn… Grol hield hem altijd dichtbij zich. En inderdaad: onder de slaapmat van de goblinkoning vinden ze de kostbare kaart.
Gundren is zichtbaar opgelucht wanneer de groep hem het kasteel uit begeleidt. Hij denkt er nu pas aan om naar ridder Sildar te vragen: is er enig nieuws van zijn vriend, die samen met hem gevangen werd genomen? Aurea kan hem geruststellen: Sildar is veilig in Phandalin. Gundren hoort het tot zijn grote opluchting aan.
De groep maakt zich op om weer te vertrekken, maar dat is buiten Leanna gerekend: ze moet en zal terug het kasteel in, want ze heeft het ontheiligde altaar van haar godin nog niet gevonden. Haar reisgenoten kijken haar twijfelend aan: moeten ze echt dat goblinkasteel weer in? Nu ze Gundren net gered hebben, lijkt het toch vooral zinnig om hem in veiligheid te brengen? Leanna schudt haar hoofd: deze taak is even belangrijk, het heiligdom kan niet langer in deze staat blijven.
Mabon haalt zijn schouders op. Als ze dat zo nodig wil, dan moet ze dat maar even gaan doen. Hij doet intussen wel een dutje. Luatha-Eimh ziet niet meteen praktisch nut in het schoonmaken van heiligdommen en houdt vooral een spiedend oog op de kaart. Zij blijft hier wel, om op Gundren te passen, zo verklaart ze. Aurea overweegt de situatie. Het lijkt niet erg praktisch om de vermoeide groep nu weer in chaos te storten. Anderzijds kunnen er natuurlijk geen barbaarse situaties als ontheiligde heiligdommen worden goedgekeurd. Maar is Leanna wel heel zeker dat het hier is? Misschien moet ze eerst maar eens poolshoogte nemen. De druïde knikt en neemt andermaal de gedaante van een piepklein spinnetje aan. 

Moedig gaat Leanna in haar eentje op onderzoek in het grote kasteel. Ongezien weet ze door lange gangen te trippelen en grote kamers te verkennen… tot ze in een ruimte komt waar in de hoeken van de gewelfde plafonden beelden naar beneden kijken. Ze herkent Oghma, Mystra en Lathander, goden die door mensen vereerd worden – ooit moet dit kasteel een roemrijk bouwwerk geweest zijn, opgetrokken door mensenhanden. En daar ziet ze Chauntea, of zoals zij haar kent: de Aardmoeder. Net wil ze instinctief dichter naar haar godin toegaan, wanneer beweging in de dakspanten haar doet opschrikken. Een reusachtige worm laat zich naar beneden zakken, klaar om deze kleine, achtpotige indringer in zijn domein onschadelijk te maken. Leanna kan haar spinnengedaante niet vasthouden terwijl ze deerlijk wordt toegetakeld, en moet het kasteel uit vluchten.
De rest van de groep ziet een verwilderde druïde naar buiten komen stormen. Mabon slaat zijn ogen ten hemel: deze halfelf is toch wel een dramatisch personage. Wanneer Aurea suggereert dat Leanna beter tot rust kan komen, zodat ze zichzelf kan genezen, wordt het de gekwelde natuurpriesteres te veel. Ze rent naar het woud, waar de wolf geduldig zit toe te kijken, en laat haar tranen in zijn vacht druppen. Het ontheiligde altaar, geen hulp van haar reismakkers, terwijl zij altijd voor hen klaarstaat met haar helende magie… in wat voor een kille wereld is ze beland, sinds ze van haar eiland is vertrokken?
De wolf laat haar geduldig haar gezicht met zijn vacht drogen en zijn gele ogen lijken een boodschap over te brengen: de Aardmoeder rekent op haar, ze moet de kracht in zichzelf vinden om door te zetten. Vastberaden haalt Leanna diep adem. Daarna marcheert ze naar haar groepsgenoten en deelt hen mee dat zij haar taak gaat vervullen, of er nu iemand met haar meegaat of niet. Moedig loopt ze weer naar het kasteel, in de weet dat ze haar roeping niet zomaar kan negeren. Even later hoort ze drie paar voetstappen achter haar aan komen. Mabon, Luatha-Eimh en Aurea volgen hun strijdmakker tot in de donkere diepten van het kasteel.
Leanna voelt een sprankje hoop bij deze steun en laat zich zelfs niet uit het veld slaan wanneer de worm nergens te bekennen is en Mabon sceptisch vraagt of ze het niet gedroomd heeft. Ze gaat onverdroten op zoek naar het altaar dat hier ergens moet zijn. Dan gilt Luatha-Eimh het uit. Een reusachtige worm heeft zich voor haar voeten op de grond laten vallen. Ze wordt gegrepen door de zwiepende tentakels van het beest en haalt vruchteloos met haar dolken uit, terwijl die haar richting zijn scherpe kaken beginnen te trekken. Leanna schiet haar meteen te hulp met magisch vuur, en Mabon vliegt erop af met zijn rapier. Het beest laat Luatha-Eimh vallen en richt zich meteen op deze nieuwe aanvaller. De gnoom weet echter de tentakels te ontwijken en drijft zijn rapier met een flitsend gebaar door de kop van de worm.
Het is weer stil in de kapel van eertijds en Leanna kijkt met een huivering om zich heen. Hoe kan ze hier ooit weer een atmosfeer scheppen waar de Aardmoeder zich thuisvoelt? Luatha-Eimh heeft niet zoveel zwaarwichtige gedachten. Als dit ooit een soortement tempel was, dan is er misschien wel een of andere goede gift in een hoekje gerold, die veiliger in de zakken van een zekere halfling zou zijn? Ze snuffelt bedrijvig rond, en verborgen onder de koude kolen in een komfoor treft ze een zwaar voorwerp aan. Nieuwsgierig vouwt ze de doeken waarin het gewikkeld is open. Haar ogen beginnen te blinken zodra ze de gouden glans ziet van een klein beeldje dat een vrouw met volle, ronde vormen voorstelt. 
Wanneer Leanna ziet wat Luatha vastheeft, grist ze het haar uit handen. Zodra de oeroude beeltenis van haar godin in haar eigen handen ligt, weet ze een ding zeker: ze moet de Aardmoeder met zich meenemen en haar een nieuw, waardig thuis geven. Hier kan ze niet blijven. Toch is er nog iets dat aan haar knaagt: ze moet het ontheiligde altaar nog steeds vinden…

Geen opmerkingen:

Een reactie posten