dinsdag 20 december 2016

Drie

De groep trekt verder richting Phandalin, om daar het nieuws over de gevangenneming van Gundren te gaan overbrengen en de kar veilig af te leveren. Ridder Sildar reist met hen mee, dankbaar voor het escorte.
Ze hebben de kar nog maar amper op zijn bestemming afgeleverd wanneer Luatha-Eimh alweer voor problemen zorgt. Door boze winkeleigenaar Elmar wordt ze herkend als lid van de Roodmerkbende, een troep bandieten die de streek onveilig maakt. Luatha vlucht snel de winkel uit, terwijl Aurea vermoeid in haar neusbrug knijpt – hoe kan ze deze stad nu beschaving bijbrengen als zelfs haar bondgenoten al kleine criminelen blijken?
Elmar wordt afgeleid met het bericht over Gundrens gevangenneming. Hij toont zich bezorgd, want Gundren droeg een kaart bij zich van zijn ontdekking. Samen met zijn broers zou hij de mijn van de legendarische Phandelvers hebben gevonden. Daar was ooit niet alleen minerale rijkdom maar ook magische kracht te vinden. Mabon herinnert zich verhalen die hij heeft gehoord over deze mijnen: zijn voorvaderen en de dwergen werkten er ooit samen. Dreigt de Smidse der Bezweringen waarover verteld wordt nu in handen van goblins te vallen?
Luatha sluipt intussen weer binnen en probeert Elmar met een ontdaan gezichtje te overtuigen dat ze haar leven gebeterd heeft. De winkeleigenaar is sceptisch. Aurea geeft de halfling een flinke preek over het belang van een nuttig leven en Luatha beperkt het ogenrollen tot de momenten dat de tovenares zich tot de anderen wendt. Verder knikt ze ijverig en belooft dat ze vanaf nu een modelburger zal zijn.
Daarna trekken ze naar het handelshuis van de Leeuwenschilden om er de kisten af te leveren die ze in de grot van de goblins hebben gevonden. Linena Grijswind staat hen te woord en ontvangt verheugd de verloren gewaande kisten. Ze belooft de groep een voorkeursbehandeling als ze ooit wapens willen kopen van de Leeuwenschildfamilie en geeft hen een waarschuwing mee: ze kunnen maar beter herberg “De Slapende Reus” vermijden, want daar houdt de Roodmerkbende zich op.
Luatha-Eimh leidt de groep vervolgens naar de boerderij van haar tante Qellina. Die ontvang haar nichtje met open armen en biedt ook de anderen een slaapplaats. Luatha’s neefje Carp komt zijn grote heldin meteen zijn avonturen vertellen: op zijn ontdekkingstochten heeft hij gehoord dat er stemmen klonken onder het landhuis van Phandalin…

De volgende morgen begeeft de groep zich naar het dorpshuis waar ze met ridder Sildar hadden afgesproken. Luatha-Eimh laat de rest alleen naar binnen gaan en stelt zich verdekt op achter het dorpshuis. Zolang ze haar naam niet gezuiverd heeft, wil ze liever niet met rotte eieren bekogeld worden.
Ridder Sildar stelt de groep een beloning ter hand voor zijn redding. Zijn naspeuringen naar de man die hij kwam zoeken, hebben nog niet zoveel opgeleverd, maar het is wel al duidelijk dat magiër Iarno Albrek wel degelijk is aangekomen in Phandalin. Daarna is hij echter spoorloos verdwenen in de buurt van het oude landhuis.
Intussen wordt Luatha omsingeld door Roodmerkbendeleden die vanuit het niets lijken op te duiken. Ze stelt zich heftig te weer en weet haar dolken in twee van hen te planten tegen de tijd dat de rest van de groep het gewoel heeft gehoord. Leanna schiet haar meteen te hulp en velt een van de andere bendeleden, terwijl Mabon naar voren stormt en de laatste aan zijn rapier rijgt. Aurea ziet het zuchtend aan: dit is niet hoe ze zich had voorgesteld de glorie van huis Corlijn te herstellen.
Na deze schermutseling is alleszins duidelijk geworden dat er met de Roodmerkbende zal moeten worden afgerekend als er enige rust in Phandalin wil kunnen ontstaan. Luatha-Eimh stelt voor om de vrouw op te zoeken die eveneens een appeltje met hen te schillen heeft: Halia Doornik, de gildemeesteres van de mijnwerkers.
Ze treffen Halia in het gildenhuis en krijgen van haar wat meer informatie over de Roodmerkbende: ze worden geleid door een magiër, Glastaf, en terroriseren de streek. Degene die deze dreiging zou weten weg te nemen, zal Phandalin een grote dienst bewijzen.
Dat is koren op de molen van Aurea die haar steun graag toezegt aan Luatha’s wraakplannen. Mabon verklaart zich ook meteen bereid om te helpen: deze onderdrukking kan niet langer voortduren! Onschuldige mensen die moeten leven in angst, nee: dat kan zo niet. De oorpuntjes van Leanna trillen zachtjes. In wat voor grimmig verhaal is ze hier beland? Maar ze luistert naar de wind en die fluistert niet dat ze deze taak terzijde moet schuiven. Ze besluit om bij haar nieuwe vrienden te blijven en hen bij te staan waar ze kan, al is het maar om hun morele kompas te zijn.

Wanneer ze tot een plan van aanpak proberen te komen, komt het spoor van het landhuis naar boven. Daar is magiër Iarno Albrek verdwenen. En daar hoorde Carp stemmen. Zou de magiër ontvoerd zijn door de Roodmerkbende? Hebben ze daar hun geheime hol?
Onder het landhuis vinden ze inderdaad een verborgen gang. Voorzichtig vatten ze de tocht naar binnen aan. De gang verwijdt zich tot een grot, waar het stinkt naar rottend vlees. In de schemering is niet veel te onderscheiden, maar de geur belooft niet veel goeds.
Luatha-Eimh wordt heen en weer geslingerd tussen haar verlangen om af te rekenen met Glastaf, die immers een prijs op haar hoofd zette, en de angst die ze voor de bendeleider koestert: wat voor magische verschrikkingen heeft hij hier in het donker verborgen?
Leanna stelt haar gerust: ze zal wel even op verkenning gaan. De halfling kijkt haar sceptisch aan – de tere halfelf zou het nog geen dag overleven in de Roodmerkbende. Maar Leanna sluit haar ogen en visualiseert een vorm van donkere schaduwen en lederachtige vlerken. Een ogenblik later fladdert vleermuis Leanna door de grot. Tot haar schrik ziet ze, verborgen achter een rotsformatie, een groot eenogig beest met scherpe tanden dat hen opwacht.
Wanneer ze verslag uitbrengt, schrikt dat Luatha-Eimh om de een of andere reden niet af, wel integendeel. De halfling zet de aanval in en stormt op het beest af. Haar kameraden zijn net iets te langzaam om te vermijden dat Luatha door het wezen in een nabije kloof wordt geslingerd.
Leanna roept een magisch licht op om een baken voor Luatha te vormen, maar trekt daarmee meteen de aandacht van het wezen. Ze voelt dat zijn geest de hare raakt en klauwen door haar geheimen proberen te harken. In tegenstelling tot wat de logica zou suggereren, trekt ze zich niet meteen terug, maar tracht het afzichtelijke wezen met vriendschap te benaderen. Ze biedt het wezen één van haar geheimen en voelt daarna dat het vooral uitgehongerd is. Nadat ze het een stukje vlees heeft toegeworpen, weet ze het te overhalen om haar de locatie van Glastaf te onthullen.
Intussen heeft Luatha de kloof waarin ze was gevallen verkend en heeft ze een kist getroffen onder de brug die het wezen bewaakt. Haar enthousiasme om die open te prutsen, daalt gevoelig wanneer ze een lijk naast de kist vindt, maar ze sleept hem toch maar mee tot een plek waar Mabon haar en de kist omhoog kan trekken.

De groep vermijdt de kamers waarachter ze rumoer van Roodmerkbendeleden horen en sluipt richting de kamer waar Glastaf zich moet bevinden. Zodra ze de kamer binnengaan, zien ze de gewaden van een magiër verdwijnen richting een aanpalend vertrek. De groep zet de achtervolging in en volgt Glastaf tot in een crypte, waar hij zich met een uitdagende glimlach naar hen keert. Zodra ze hem benaderen heft hij zijn armen en roept drie skeletten uit hun tombes om voor hem te vechten. Ze storten zich meteen op Mabon, die de voorhoede vormt. Luatha springt meteen op een kist en vanop haar uitkijkpunt haalt ze al snel een van de skeletten neer. Mabon rekent inmiddels met zijn knekelige tegenstander af, en Leanna legt onverbiddelijk de laatste van hen weer te rusten.
Daarna binden ze de strijd met Glastaf aan. Tegen de verenigde krachten van toverkunst, een glanzend rapier en Luatha’s wraaklustige dolken blijkt hij niet opgewassen, en de leider van de Roodmerkbende moet het onderspit delven.
Wanneer ze de kamers van Glastaf doorzoeken, doen ze een verrassende ontdekking: ze vinden er een brief, gericht aan Iarno Albrek, de verdwenen magiër naar wie ridder Sildar op zoek was. Is hij dezelfde als de Glastaf die ze net verslagen hebben…?

maandag 5 september 2016

Twee

De goblin stelt zichzelf voor als Yeemik. Hij heeft een deal voor de avonturiers: zij krijgen ‘de mens’ als ze hem het hoofd van Klarg bezorgen. Terwijl Mabon tegen Luatha-Eimh smiespelt dat ze daar echt niet zomaar op in zullen gaan, worden de twee nog levende goblins weer wakker. Achter het hoekje staan Leanna en Aurea zachtjes te discussiëren: Aurea ziet er geen been in de goblinhoofdman om zeep te helpen, terwijl Leanna het denkbeeld iemand te gaan overvallen die haar niks misdaan heeft, geschokt van de hand wijst.
Mabon probeert Yeemik zover te krijgen dat die wat afstand neemt van de gevangen ridder, zodat hij de goblin kan neerschieten. Yeemik is echter niet van gisteren en houdt zijn voorstel staande: het leven van de ridder in ruil voor dat van Klarg. Mabon haalt zijn schouders op: zo belangrijk is Sildar nu ook weer niet voor hem. Woedend gooit Yeemik Sildar van een overloop naar beneden. De ridder blijft bewusteloos liggen, terwijl de strijd losbarst. Mabon en Luatha-Eimh verspillen geen tijd en vallen meteen Yeemik aan.
Leanna heeft inmiddels een plan bedacht om toch over het fragiele platform te komen. Ze haalt een touw tevoorschijn en gooit dat naar de overkant, terwijl ze haar wolf richting het handgemeen stuurt. Dat geeft Luatha de tijd om het touw vast te knopen, zodat Leanna en Aurea hun vrienden kunnen gaan bijstaan. Aurea slingert meteen een vuurbal naar Yeemik, die al behoorlijk toegetakeld was door Mabon. De goblin moet zijn ambities met de dood bekopen en stort neer. Aurea verspilt geen tijd en sluipt zo onopvallend mogelijk naar de zwaargewonde ridder, om zijn zwaarste wonden te stelpen. Wanneer ze opkijkt, ziet ze dat Mabon en Luatha vlotjes met de twee resterende goblins hebben afgerekend, al heeft Mabon zware klappen gekregen. De adellijke tovenares kijkt zuchtend naar haar bebloede handen en besluit dat ze net zo goed ook de gnoom maar even kan opknappen.

Wanneer ridder Sildar Halwinter weer bij bewustzijn komt, informeert hij dankbaar aan wie hij zijn redding te danken heeft. Voor iemand zijn mond kan opendoen, manoeuvreert Aurea zich naar voren en stelt zichzelf en huis Corlijn voor als de betreffende weldoener. Mabon mort tegen de uitwisseling van beleefdheden: kan dat niet beter bewaard worden voor buiten de grot met goblins? Luatha slaat absoluut geen acht op de uitwisseling en sluipt stilletjes de grot rond in de hoop een paar kostbaarheden in haar zak te kunnen laten glijden.
Inmiddels vertelt Sildar over zijn gevangenneming samen met de dwerg Gundren Steenzoeker. Gundren en zijn broers ontdekten samen een verloren mijn die ze opnieuw willen openen. Ze hebben die op een kaart ingetekend, die Gundren in zijn bezit had. Sildar had zich bij Gundren aangesloten omdat hij in Phandalin onderzoek ging doen naar de verdwijning van de magiër Iarno Albrek, evenals hijzelf lid van de Herenalliantie. Mabon en Luatha aanhoren het relaas geeuwend en kunnen niet wachten om uit de grot te ontsnappen. Ook Leanna wil hier maar het liefst zo snel mogelijk vertrekken, wanneer ze de wonden ziet die de wolf voor haar heeft opgelopen.
Ridder Sildar bepleit echter om af te rekenen met de rest van de goblins in deze grot. Ze overvallen immers reizigers en maken op deze manier de weg naar Phandalin onveilig. Aurea is meteen voor dat plan gewonnen – als ze van Phandalin de thuisbasis van een herrijzend Huis Corlijn wil maken, dan mag er geen groen ongedierte in de weg lopen. Leanna staart haar met open mond aan: wil ze werkelijk een troep levende wezens gaan uitroeien? Mabon en Luatha zien vooral geen gegronde reden om die moeite te doen: daar worden ze niet voor betaald!
Aurea bepleit bij Leanna dat de goblins moordenaars zijn die onschuldige reizigers overvallen, alleen om buit te maken. De halfelf, opgegroeid in een beschermde omgeving, gaat er schoorvoetend mee akkoord dat een dergelijke dreiging niet zou mogen blijven bestaan, maar spreekt toch haar voorkeur voor een vreedzamere oplossing uit: kunnen ze de goblins niet gewoon tot rede brengen? Mabon wijst dat plan meteen van de hand: iedereen die iets van de wereld heeft gezien, weet wat voor een pest goblins zijn. Hij blijkt wel ontvankelijk voor het betoog van Aurea en trekt zijn wapens weer: onschuldige reizigers kunnen zich wellicht niet zo goed vervoeren als hij, dus het is zijn plicht een eind aan deze situatie te maken. Luatha lijkt zich tenslotte bij de meerderheid aan te sluiten, en knikt gehoorzaam bij het argument dat op deze manier de goblins hen tenminste niet onverhoeds in de rug kunnen overvallen. Inwendig denkt ze er het hare van: had Mabon in de grote grot van de goblinleider geen kisten met buit gezien? Wie weet wat daarin zit…

De groep dringt dieper in de grot door. Luath-Eimh sluipt voorop en ontdekt bij een waterval twee goblins. Ze aarzelt niet en schiet een van hen recht door zijn oog, terwijl Mabon de tweede aan zijn rapier rijgt. Ze wachten even af, maar de waterval overstemde duidelijk het doodsgereutel van de goblins, die Leanna met afgewend hoofd passeert.
Ze sluipen verder. Luatha gluurt om het hoekje en ziet aan het flakkerende vuur dat ze de juiste grot hebben bereikt. Na enig overleg besluit de groep tot een strategie: Aurea zal haar slaapbetovering herhalen en hopelijk zo voor een geruisloze overwinning zorgen. De tovenares vuurt haar spreuk af en twee goblins vallen snurkend op de grond. Het lijkt al te makkelijk… en zo simpel blijkt het ook niet te gaan. Uit de schaduwen duikt de woedende goblinhoofdman op.
Klarg stuurt een wolf op Mabon af. De kleine gnoom deinst achteruit, terwijl Leanna en Aurea het beest met vuur bestoken. De geschroeide wolf geeft het echter niet zomaar op en blijft zich grauwend op Mabon storten. Die springt achteruit en laat zich op zijn buik vallen, in de hoop zich achter een goblinlijk te kunnen verschansen. Klarg knuppelt Aurea neer, die bewusteloos ter aarde stort en beent dan weer op Mabon af. Luatha-Eimh en Leanna wisselen bedenkelijke blikken, maar kunnen zich er niet toe brengen hun makkers in de steek te laten. Ze vuren op Klarg en geven zo ridder Sildar dekking, die richting Aurea sluipt en de tovenares weer bij haar positieven brengt.
Een deerlijk toegetakelde Klarg haalt nogmaals naar Mabon uit, in de hoop de liggende gnoom voorgoed onschadelijk te kunnen maken. Mabon steekt echter zijn rapier recht naar boven en doorboort de goblinhoofdman. Die probeert de benen te nemen en struikelt richting de schacht waardoor Mabon eerder omhoog gluurde. Hij valt naar beneden en ploft met een veelzeggend gekraak neer.
Wanneer Luatha poolshoogte gaat nemen, ziet ze een morsdode goblin liggen – de grot is deugdelijk schoongeveegd. Opgewekt huppelt de halfling richting de kisten die her en der in de grot verspreid staan. Terwijl ze luidkeels haar bevindingen meldt – kratten met het symbool van een blauwe leeuw, duidelijk geroofd van een konvooi van de Leeuwenschilden naar Phandalin, en een kist waarin de goblins geld verzameld hadden – laat ze stilletjes een gouden kikkertje in haar zak glippen als schadeloosstelling voor haar beproeving in het duister van deze grot. Mabon houdt echter een scherp oog op vingervlugge Luatha-Eimh en betrapt haar op heterdaad. Die schudt alleen haar krullen en lacht zorgeloos: ze was heus niks van plan!

maandag 22 augustus 2016

Eén

Gundren Steenzoeker heeft een aantal ‘specialisten’ in dienst genomen om een wagen met kostbare voorraden naar Phandalin te begeleiden. Hij wil de mijnen vlakbij deze stad die herrijst op de ruïnes van een oude nederzetting nieuw leven inblazen. De groep is een bonte mengeling van kleuren en karakters die onderweg noodgedwongen moeten samenwerken.

Kittige Luatha-Eimh van amper een meter lang maakt zich meteen kenbaar door vrolijk kwetterend gesprekjes op te starten bomvol persoonlijke vragen. De halfling met haar bruine krullenbol vertelt openlijk dat ze er geen probleem mee heeft om al eens iets te ontvreemden dat technisch gezien niet van haar is, maar reageert oprecht verontwaardigd wanneer ze vervolgens achterdochtig door haar reisgenoten wordt aangestaard. Van haar makkers steelt ze niet! Alleen van wie toch al te veel heeft! Ze zou ook nooit stelen van haar lieve tante Qellina! Luatha’s zachte bruine ogen veranderen amper wanneer ze zinspeelt op een rekening die ze nog te vereffenen heeft met iemand anders in Phandalin. Er zit meer achter dit onschuldige snoetje dan het lijkt, zo beseffen haar groepsgenoten.

Gnoom Mabon laat zich door Luatha makkelijk verleiden om zijn levensverhaal uit de doeken te doen. Hij vertelt over de vreedzame gemeenschap waarin hij is opgegroeid en vertelt met enige heimwee over het feeërieke leven dat hij als kind zo vaak mogelijk ontvluchtte om met mensenkinderen in de buurt te gaan spelen. Een vulkaanuitbarsting sneed de banden tussen hem en zijn stam door. De kleine maar onverschrokken krijger heeft echter een nieuwe familie gevonden bij zijn adoptiefamilie – de ouders van een van zijn mensenvriendjes: met trots vertelt hij over de prachtige meubels die zijn stiefvader maakte voor hij zich noodgedwongen als arbeider moest verhuren. Hij hoopt dat deze opdracht het begin kan zijn van zijn queeste om zowel zijn stiefvader als zijn vernielde dorpje Donderden in ere te herstellen.

Zijn verhaal wordt met deernis aangehoord door Leanna. Grote grijze ogen kijken hem meevoelend aan vanuit het fijngetekende halfelfgezichtje dat omlijst wordt door lange, zwarte lokken. Met haar melodieuze stem vertelt ze haar eigen wedervaren. Ze is afkomstig van de Maanschaduw-eilandengroep. Daar werd ze door haar elfenmoeder, hogepriesteres van de Aardmoeder, opgevoed als haar opvolgster. Haar wilde moeder verdween echter steeds vaker het woud in, tot ze niet meer terugkwam. Leanna werd daarna gekweld door kwade dromen. Haar vader besloot andere oorden met haar op te zoeken… echter, ook op reis achtervolgde het noodlot haar. Hun schip leed schipbreuk en alleen Leanna werd uit het water gered. Maar, zo verklaart de lieflijke natuurmagiër, tekenen hebben haar verteld dat ze het vertrouwen niet mag verliezen: wat verloren lijkt, kan hervonden worden.

Ook rijkgeklede Aurea knikt met enige sympathie wanneer Mabon het heeft over het heropbouwen van zijn plaats van herkomst. Ze vertelt dat ze is opgegroeid in Waterdiep, een stad in de buurt van Nimmerwinter. Haar voorouderlijk thuis werd immers vernietigd door dezelfde vulkaanuitbarsting. Wanneer ze het heeft over het bescheiden stadshuis van haar ouders, graaf en gravin Corlijn, wordt de groep snel duidelijk dat Aurea er andere maatstaven met betrekking tot ‘bescheiden’ op na houdt als de rest van de groep. De tovenares heeft zich aangesloten bij de karavaan in de hoop contact te kunnen leggen met de compagnon van Gundren Steenzoeker: ridder Sildar Halwinter. Hij heeft plannen voor de civilisatie van Phandalin en Aurea is vastbesloten om Huis Corlijn een factor van belang in dit beschavingsoffensief te maken. Zelfs Luatha-Eimh durft de waardige tiefling niet ondervragen over de hoorntjes tussen haar wilde robijnrode lokken, en de zwiepende staart, die het demonische tikkeltje bloed in haar verder kennelijk zo nobele stamboom verraden. 



~


De reis verloopt de eerste paar dagen rustig. Aurea heeft meteen een plekje in de wagen geclaimd, en ook Leanna vindt het daar wel prettig. Kleine Luatha ment de grote os die de kar trekt, terwijl Mabon een stukje voorop tussen het struikgewas langs de kant van de weg meesluipt, beducht op overvallers.

Om een bocht van de weg ziet Mabon ineens een vreemd tafereel: twee dode paarden, doorzeefd met pijlen. Hij sluipt wat dichterbij en herkent de zwarte veren op de schacht als het merkteken van de goblins van de Spitsmuilstam. Mabon haast zich naar de wagen met zijn makkers terug: de aanwezigheid van goblins betekent nooit iets goeds.

Mabon staat het nieuws nog met gedempte stem aan Luatha te vertellen, wanneer ze iets horen ruisen in het struikgewas. Mabon reageert meteen: met een koprol in de lucht duikt hij eropaf, zijn kruisboog en degen in een vloeiende beweging boven halend. Eén goblin stort doorspietst gorgelend ter aarde, zijn kruisboogschicht mist helaas een tweede. Ook Luatha’s pijl mist de tweede aanvaller, maar intussen heeft ook Leanna zich erin gemengd: de halfelf heft haar handen en gooit een vuurbal op de onfortuinlijke Spitsmuilgoblin. Nog twee goblins komen uit de struiken opduiken, maar Mabon en Aurea vellen er meteen één, zodat de laatste op de vlucht slaat.

Aurea, ontstemd over deze verstoring van haar vredige dag, zet samen met Luatha de achtervolging in en weet de vluchteling te grijpen. Ze weerhoudt Luatha ervan om hem om zeep te helpen: het is ongetwijfeld nuttiger om hem te ondervragen. Niet veel later kijkt de groep ietwat bedenkelijk toe bij de ‘diplomatische’ ondervragingstactieken van de adelijke tovenares. Als de goblin niet meteen met antwoorden op de proppen komt, wordt hij door de gehoornde tovenares weinig subtiel op enige gruwzame alternatieven gewezen.

Ze komen aan de weet dat de paarden de rijdieren waren van een man en een dwerg. Goblinhoofdman Klarg heeft deze ontvoering georkestreerd op vraag van de goblinkoning. De twee moesten overgebracht worden naar Kasteel Spitsmuil. De koning zou handelen in opdracht van “De Zwarte Spin”. Het kost niet veel verbeeldingskracht om te beseffen wie de ontvoerden zijn: hun opdrachtgever Gundren Steenzoeker en Sildar Halwinter. Gundren is inderdaad al overgebracht, maar Sildar bevindt zich nog in het naburige goblinkamp.

De groep knevelt de goblin en voert een geanimeerde discussie. Luatha ziet er geen been in rustig verder te trekken naar Phandalin. Als hun opdrachtgever niet kan betalen, zal er heus wel een andere manier zijn om schadeloosstelling te krijgen. Leanna fronst bedenkelijk: iemand in de klauwen van goblins achterlaten, lijkt behoorlijk harteloos. Maar wie moet ze eerst proberen te redden: de ridder die dichtbij gevangen zit, of de dwerg die haar ooit het leven redde? Mabon maakt het allemaal niet uit, zolang hij maar een heroïsche daad kan stellen. Aurea daarentegen zet een stevige zaak op ten voordele van het plan ‘red ridder Halwinter’. Hij is dichterbij, zo stelt ze, het goblinkasteel zal een stuk lastiger in te nemen zijn met vier dan een simpel goblinkamp, én misschien krijgen ze op deze manier meer informatie over wat hier precies gaande is. Mabon merkt scherp op dat ze wel erg gemotiveerd lijkt en Aurea moet schoorvoetend toegeven dat ze politieke plannen heeft waarin Silder Halwinter een belangrijke rol speelt. Niettemin weet ze de rest te overhalen en er wordt koers gezet naar het kamp. 


~


De kar wordt goed verborgen in het struikgewas en met een geknevelde goblin op kop gaan ze op pad. Die gniffelt kwaadaardig wanneer Luatha bijna in een goblinval trapt, maar de lichtvoetige halfling weet de strik te ontwijken en Aurea net op tijd te waarschuwen.

De goblin wordt stevig ondervraagd over wat ze in het kamp kunnen verwachten en daarna gekneveld achtergelaten: het is duidelijk dat zijn aanwezigheid meer kwaad dan goed zal doen.

Leanna neemt de leiding. Met haar superieure kennis van het woud weet ze de groep nog diverse valkuilen en andere verrassingen aan te wijzen. Wanneer een grot in het gezicht komt, sluipt ze zachtjes naderbij. Verscholen tussen de bramenstruiken zitten twee wachters op post, maar de natuurmagiër laat met een snelle beweging van haar hand de struiken tot leven komen: een doornige zweep rukt één van hen tevoorschijn, die meteen door een vuurschicht van Aurea wordt neergeschoten. Terwijl de tweede wachter zijn pijlen aan Mabon verspilt, sluipt Luatha achterom. Door de dichte bramenkluwens kan ze amper iets zien, maar ze laat zich niet uit het veld slaan. Gespitst op de minste beweging spant ze haar boog, mikt geduldig, en laat dan haar pijl vliegen. Een verbijsterde Mabon ziet dwars door het struikgewas een pijl komen aanzoeven die de goblin recht door het hoofd treft en dood doet neervallen.

Behoedzaam gaat de groep de grot binnen. Een zwaar gegrom doet Leanna andermaal de leiding nemen. Ze glipt een zijgrot in en treft daar drie wolven, vastgemaakt aan een stalactiet. Ze grommen en happen naar elkaar uit frustratie. Terwijl de rest verschrikt achteruitdeinst, zet de halfelf rustige stapjes voorwaarts. Ze strekt een hand naar de grootste van de troep uit en probeert hem te sussen. Het beest besnuffelt haar even, maar trekt dan dreigend zijn bovenlip op. Leanna roept echter haar magie te hulp en dringt door tot de geest van de wolf. Meteen drukt hij zijn snuit tegen haar aan en snauwt en grauwt tegen de andere wolven tot ze doorhebben dat zij hun vriendin is.

Mabon heeft aan de andere kant van de grot een steenhelling ontdekt en klautert omhoog. Daar hoort hij diverse goblinstemmen in gesprek. Onwillekeurig trapt hij een paar steentjes naar beneden, en een zware stem sommeert om poolshoogte te gaan nemen. Mabon kan onmogelijk tijdig weer geruisloos verdwijnen en neemt zijn toevlucht tot één van de trucjes die hij als kind van zijn volksgenoten leerde: hij roept de illusie van een leeg, donker gat op. Een verbijsterde goblin tuurt naar beneden, zijn kop vlakbij die van Mabon, zonder ook maar iets te zien. De gnoom beseft zijn fout te laat: goblins kunnen in het donker zien, dus helemaal ‘niets’ zien, is al even verdacht. Hij reageert echter vlot, sleurt de goblin naar beneden, doorsteekt hem met één snelle beweging en gooit hem de helling af. Nadat hij nog even snel heeft gegluurd wat er boven te zien is, gaat hij verslag uitbrengen: boven is een grote grot met een brandend vuur dat een massa buit verlicht. Behalve een gewone goblin heeft hij ook een wolf en een soort grotere goblin gezien.

Dankzij de ondervraging van hun eerder gevangen goblin weten ze dat de gevangen ridder in de ‘‘eetgrot’’ zit opgesloten, duidelijk ergens anders dan de grot boven hun hoofd. Ze sluipen dus dieper het grottencomplex in, zo zachtjes mogelijk, want het kampement heeft in totaal zo’n twintig inwoners. Luatha moppert zachtjes over de donkere grotten: in tegenstelling tot haar groepsgenoten kan ze niks zien in het donker. Wanneer iemand suggereert een lamp aan te steken, maakt ze hen echter weinig vriendelijk uit voor idioten – hoeveel duidelijker kunnen ze nog maken waar ze zijn?

In de hoofdgang wordt de groep opgemerkt door een goblin, die op een brug de wacht houdt. Zijn reactie is verrassend: hij lijkt de benen te nemen, maar niet veel later dondert een gigantische waterstroom naar beneden. Het grootste deel van de groep weet tijdig een zijgang in te schieten, maar Leanna wordt meegesleurd. Ze klampt zich nog vast aan haar nieuwe wolvenvriend, maar het mag niet baten: ze wordt helemaal naar buiten gespoeld. Gelukkig is ze zacht geland op de dikke wolvenvacht en niet veel later komt het druipende tweetal weer naar binnen.

Luatha is er nu helemaal klaar mee: ze heeft helemaal geen zin meer in de grotten waar ze geen hand voor ogen ziet. De halfling is gewend om rond te sluipen zonder gezien te worden en het omgekeerde bezorgt haar de kriebels. Aurea wil echter van geen wijken weten: ridder Halwinter moet en zal gered worden en daarmee basta. Mabon heeft inmiddels een kleine voorverkenning uitgevoerd en weet bijna zeker dat hij de ‘eetgrot’ heeft gevonden. Er is echter een probleem: om daar te komen moeten ze door een nauwe gang, over een platform dat goblins houdt, en wellicht ook wel een gnoom of een halfling, maar geen tieflings of halfelfen! Aurea kijkt Luatha verwachtingsvol aan en drukt haar een lamp in de hand. De kleine dief klemt boos haar tanden op elkaar en spant haar boog… om de goblin op de brug die was weergekeerd een pijl door zijn keel te jagen.

Mabon heeft niet op haar gewacht en is de ‘eetgrot’ binnengedrongen. Daar treft hij echter tot zijn ellende niet minder dan vijf goblins die hun potje zitten te koken. De gnoom trekt onvervaard zijn degen en doorsteekt de eerste, maar moet dan wel terugtrekken voor de woedende overmacht die overeind springt. Aurea bespeurt het gevaar, wringt zich naar voren en brengt haar magie in gereedheid. Zodra ze een glimp groen ziet, vuurt de tovenares een spreuk af. Het is ineens stil en Mabon kijkt verbijsterd over zijn schouder… naar vier snurkende goblins.

Mabon en Luatha zetten zich aan het werk om de slapende vijand te kelen, maar zijn pas halverwege wanneer een autoritaire goblin verschijnt die een gevangene meesleept en de groep sommeert onmiddellijk hun wapens te laten vallen als ze niet willen dat de mens het met zijn leven moet bekopen…