De goblin stelt zichzelf voor als Yeemik. Hij heeft een deal
voor de avonturiers: zij krijgen ‘de mens’ als ze hem het hoofd van Klarg
bezorgen. Terwijl Mabon tegen Luatha-Eimh smiespelt dat ze daar echt niet
zomaar op in zullen gaan, worden de twee nog levende goblins weer wakker.
Achter het hoekje staan Leanna en Aurea zachtjes te discussiëren: Aurea ziet er
geen been in de goblinhoofdman om zeep te helpen, terwijl Leanna het denkbeeld
iemand te gaan overvallen die haar niks misdaan heeft, geschokt van de hand
wijst.
Mabon probeert Yeemik zover te krijgen dat die wat afstand
neemt van de gevangen ridder, zodat hij de goblin kan neerschieten. Yeemik is
echter niet van gisteren en houdt zijn voorstel staande: het leven van de
ridder in ruil voor dat van Klarg. Mabon haalt zijn schouders op: zo belangrijk
is Sildar nu ook weer niet voor hem. Woedend gooit Yeemik Sildar van een
overloop naar beneden. De ridder blijft bewusteloos liggen, terwijl de strijd
losbarst. Mabon en Luatha-Eimh verspillen geen tijd en vallen meteen Yeemik
aan.
Leanna heeft inmiddels een plan bedacht om toch over het
fragiele platform te komen. Ze haalt een touw tevoorschijn en gooit dat naar de
overkant, terwijl ze haar wolf richting het handgemeen stuurt. Dat geeft Luatha
de tijd om het touw vast te knopen, zodat Leanna en Aurea hun vrienden kunnen
gaan bijstaan. Aurea slingert meteen een vuurbal naar Yeemik, die al behoorlijk
toegetakeld was door Mabon. De goblin moet zijn ambities met de dood bekopen en
stort neer. Aurea verspilt geen tijd en sluipt zo onopvallend mogelijk naar de
zwaargewonde ridder, om zijn zwaarste wonden te stelpen. Wanneer ze opkijkt,
ziet ze dat Mabon en Luatha vlotjes met de twee resterende goblins hebben
afgerekend, al heeft Mabon zware klappen gekregen. De adellijke tovenares kijkt
zuchtend naar haar bebloede handen en besluit dat ze net zo goed ook de gnoom
maar even kan opknappen.
Wanneer ridder Sildar Halwinter weer bij bewustzijn komt,
informeert hij dankbaar aan wie hij zijn redding te danken heeft. Voor iemand
zijn mond kan opendoen, manoeuvreert Aurea zich naar voren en stelt zichzelf en
huis Corlijn voor als de betreffende weldoener. Mabon mort tegen de
uitwisseling van beleefdheden: kan dat niet beter bewaard worden voor buiten
de grot met goblins? Luatha slaat absoluut geen acht op de uitwisseling en
sluipt stilletjes de grot rond in de hoop een paar kostbaarheden in haar zak te
kunnen laten glijden.
Inmiddels vertelt Sildar over zijn gevangenneming samen met
de dwerg Gundren Steenzoeker. Gundren en zijn broers ontdekten samen een
verloren mijn die ze opnieuw willen openen. Ze hebben die op een kaart ingetekend, die Gundren in zijn bezit had. Sildar had
zich bij Gundren aangesloten omdat hij in Phandalin onderzoek ging doen naar de
verdwijning van de magiër Iarno Albrek, evenals hijzelf lid van de Herenalliantie. Mabon en Luatha aanhoren het relaas geeuwend en kunnen niet wachten
om uit de grot te ontsnappen. Ook Leanna wil hier maar het liefst zo snel
mogelijk vertrekken, wanneer ze de wonden ziet die de wolf voor haar heeft
opgelopen.
Ridder Sildar bepleit echter om af te rekenen met de rest
van de goblins in deze grot. Ze overvallen immers reizigers en maken op deze
manier de weg naar Phandalin onveilig. Aurea is meteen voor dat plan gewonnen –
als ze van Phandalin de thuisbasis van een herrijzend Huis Corlijn wil maken,
dan mag er geen groen ongedierte in de weg lopen. Leanna staart haar met open
mond aan: wil ze werkelijk een troep levende wezens gaan uitroeien? Mabon
en Luatha zien vooral geen gegronde reden om die moeite te doen: daar worden ze
niet voor betaald!
Aurea bepleit bij Leanna dat de goblins moordenaars zijn die
onschuldige reizigers overvallen, alleen om buit te maken. De halfelf,
opgegroeid in een beschermde omgeving, gaat er schoorvoetend mee akkoord dat
een dergelijke dreiging niet zou mogen blijven bestaan, maar spreekt toch haar
voorkeur voor een vreedzamere oplossing uit: kunnen ze de goblins niet gewoon
tot rede brengen? Mabon wijst dat plan meteen van de hand: iedereen die iets
van de wereld heeft gezien, weet wat voor een pest goblins zijn. Hij blijkt wel
ontvankelijk voor het betoog van Aurea en trekt zijn wapens weer: onschuldige
reizigers kunnen zich wellicht niet zo goed vervoeren als hij, dus het is zijn
plicht een eind aan deze situatie te maken. Luatha lijkt zich tenslotte bij de
meerderheid aan te sluiten, en knikt gehoorzaam bij het argument dat op deze
manier de goblins hen tenminste niet onverhoeds in de rug kunnen overvallen.
Inwendig denkt ze er het hare van: had Mabon in de grote grot van de
goblinleider geen kisten met buit gezien? Wie weet wat daarin zit…
De groep dringt dieper in de grot door. Luath-Eimh sluipt
voorop en ontdekt bij een waterval twee goblins. Ze aarzelt niet en schiet een
van hen recht door zijn oog, terwijl Mabon de tweede aan zijn rapier rijgt. Ze
wachten even af, maar de waterval overstemde duidelijk het doodsgereutel van de
goblins, die Leanna met afgewend hoofd passeert.
Ze sluipen verder. Luatha gluurt om het hoekje en ziet aan
het flakkerende vuur dat ze de juiste grot hebben bereikt. Na enig overleg
besluit de groep tot een strategie: Aurea zal haar slaapbetovering herhalen en
hopelijk zo voor een geruisloze overwinning zorgen. De tovenares vuurt haar
spreuk af en twee goblins vallen snurkend op de grond. Het lijkt al te
makkelijk… en zo simpel blijkt het ook niet te gaan. Uit de schaduwen duikt de
woedende goblinhoofdman op.
Klarg stuurt een wolf op Mabon af. De kleine gnoom deinst
achteruit, terwijl Leanna en Aurea het beest met vuur bestoken. De geschroeide
wolf geeft het echter niet zomaar op en blijft zich grauwend op Mabon storten.
Die springt achteruit en laat zich op zijn buik vallen, in de hoop zich achter
een goblinlijk te kunnen verschansen. Klarg knuppelt Aurea neer, die bewusteloos
ter aarde stort en beent dan weer op Mabon af. Luatha-Eimh en Leanna wisselen
bedenkelijke blikken, maar kunnen zich er niet toe brengen hun makkers in de
steek te laten. Ze vuren op Klarg en geven zo ridder Sildar dekking, die
richting Aurea sluipt en de tovenares weer bij haar positieven brengt.
Een deerlijk toegetakelde Klarg haalt nogmaals naar Mabon
uit, in de hoop de liggende gnoom voorgoed onschadelijk te kunnen maken. Mabon steekt
echter zijn rapier recht naar boven en doorboort de goblinhoofdman. Die probeert
de benen te nemen en struikelt richting de schacht waardoor Mabon eerder omhoog
gluurde. Hij valt naar beneden en ploft met een veelzeggend gekraak neer.
Wanneer Luatha poolshoogte gaat nemen, ziet ze een morsdode
goblin liggen – de grot is deugdelijk schoongeveegd. Opgewekt huppelt de
halfling richting de kisten die her en der in de grot verspreid staan. Terwijl
ze luidkeels haar bevindingen meldt – kratten met het symbool van een blauwe
leeuw, duidelijk geroofd van een konvooi van de Leeuwenschilden naar
Phandalin, en een kist waarin de goblins geld verzameld hadden – laat ze
stilletjes een gouden kikkertje in haar zak glippen als schadeloosstelling voor
haar beproeving in het duister van deze grot. Mabon houdt echter een scherp oog
op vingervlugge Luatha-Eimh en betrapt haar op heterdaad. Die schudt alleen
haar krullen en lacht zorgeloos: ze was heus niks van plan!
Geen opmerkingen:
Een reactie posten