Kittige Luatha-Eimh van amper een meter lang maakt zich meteen kenbaar door vrolijk kwetterend gesprekjes op te starten bomvol persoonlijke vragen. De halfling met haar bruine krullenbol vertelt openlijk dat ze er geen probleem mee heeft om al eens iets te ontvreemden dat technisch gezien niet van haar is, maar reageert oprecht verontwaardigd wanneer ze vervolgens achterdochtig door haar reisgenoten wordt aangestaard. Van haar makkers steelt ze niet! Alleen van wie toch al te veel heeft! Ze zou ook nooit stelen van haar lieve tante Qellina! Luatha’s zachte bruine ogen veranderen amper wanneer ze zinspeelt op een rekening die ze nog te vereffenen heeft met iemand anders in Phandalin. Er zit meer achter dit onschuldige snoetje dan het lijkt, zo beseffen haar groepsgenoten.
Gnoom Mabon laat zich door Luatha makkelijk verleiden om zijn levensverhaal uit de doeken te doen. Hij vertelt over de vreedzame gemeenschap waarin hij is opgegroeid en vertelt met enige heimwee over het feeërieke leven dat hij als kind zo vaak mogelijk ontvluchtte om met mensenkinderen in de buurt te gaan spelen. Een vulkaanuitbarsting sneed de banden tussen hem en zijn stam door. De kleine maar onverschrokken krijger heeft echter een nieuwe familie gevonden bij zijn adoptiefamilie – de ouders van een van zijn mensenvriendjes: met trots vertelt hij over de prachtige meubels die zijn stiefvader maakte voor hij zich noodgedwongen als arbeider moest verhuren. Hij hoopt dat deze opdracht het begin kan zijn van zijn queeste om zowel zijn stiefvader als zijn vernielde dorpje Donderden in ere te herstellen.
Zijn verhaal wordt met deernis aangehoord door Leanna. Grote grijze ogen kijken hem meevoelend aan vanuit het fijngetekende halfelfgezichtje dat omlijst wordt door lange, zwarte lokken. Met haar melodieuze stem vertelt ze haar eigen wedervaren. Ze is afkomstig van de Maanschaduw-eilandengroep. Daar werd ze door haar elfenmoeder, hogepriesteres van de Aardmoeder, opgevoed als haar opvolgster. Haar wilde moeder verdween echter steeds vaker het woud in, tot ze niet meer terugkwam. Leanna werd daarna gekweld door kwade dromen. Haar vader besloot andere oorden met haar op te zoeken… echter, ook op reis achtervolgde het noodlot haar. Hun schip leed schipbreuk en alleen Leanna werd uit het water gered. Maar, zo verklaart de lieflijke natuurmagiër, tekenen hebben haar verteld dat ze het vertrouwen niet mag verliezen: wat verloren lijkt, kan hervonden worden.
Ook rijkgeklede Aurea knikt met enige sympathie wanneer Mabon het heeft over het heropbouwen van zijn plaats van herkomst. Ze vertelt dat ze is opgegroeid in Waterdiep, een stad in de buurt van Nimmerwinter. Haar voorouderlijk thuis werd immers vernietigd door dezelfde vulkaanuitbarsting. Wanneer ze het heeft over het bescheiden stadshuis van haar ouders, graaf en gravin Corlijn, wordt de groep snel duidelijk dat Aurea er andere maatstaven met betrekking tot ‘bescheiden’ op na houdt als de rest van de groep. De tovenares heeft zich aangesloten bij de karavaan in de hoop contact te kunnen leggen met de compagnon van Gundren Steenzoeker: ridder Sildar Halwinter. Hij heeft plannen voor de civilisatie van Phandalin en Aurea is vastbesloten om Huis Corlijn een factor van belang in dit beschavingsoffensief te maken. Zelfs Luatha-Eimh durft de waardige tiefling niet ondervragen over de hoorntjes tussen haar wilde robijnrode lokken, en de zwiepende staart, die het demonische tikkeltje bloed in haar verder kennelijk zo nobele stamboom verraden.
~
De reis verloopt de eerste paar dagen rustig. Aurea heeft meteen een plekje in de wagen geclaimd, en ook Leanna vindt het daar wel prettig. Kleine Luatha ment de grote os die de kar trekt, terwijl Mabon een stukje voorop tussen het struikgewas langs de kant van de weg meesluipt, beducht op overvallers.
Om een bocht van de weg ziet Mabon ineens een vreemd tafereel: twee dode paarden, doorzeefd met pijlen. Hij sluipt wat dichterbij en herkent de zwarte veren op de schacht als het merkteken van de goblins van de Spitsmuilstam. Mabon haast zich naar de wagen met zijn makkers terug: de aanwezigheid van goblins betekent nooit iets goeds.
Mabon staat het nieuws nog met gedempte stem aan Luatha te vertellen, wanneer ze iets horen ruisen in het struikgewas. Mabon reageert meteen: met een koprol in de lucht duikt hij eropaf, zijn kruisboog en degen in een vloeiende beweging boven halend. Eén goblin stort doorspietst gorgelend ter aarde, zijn kruisboogschicht mist helaas een tweede. Ook Luatha’s pijl mist de tweede aanvaller, maar intussen heeft ook Leanna zich erin gemengd: de halfelf heft haar handen en gooit een vuurbal op de onfortuinlijke Spitsmuilgoblin. Nog twee goblins komen uit de struiken opduiken, maar Mabon en Aurea vellen er meteen één, zodat de laatste op de vlucht slaat.
Aurea, ontstemd over deze verstoring van haar vredige dag, zet samen met Luatha de achtervolging in en weet de vluchteling te grijpen. Ze weerhoudt Luatha ervan om hem om zeep te helpen: het is ongetwijfeld nuttiger om hem te ondervragen. Niet veel later kijkt de groep ietwat bedenkelijk toe bij de ‘diplomatische’ ondervragingstactieken van de adelijke tovenares. Als de goblin niet meteen met antwoorden op de proppen komt, wordt hij door de gehoornde tovenares weinig subtiel op enige gruwzame alternatieven gewezen.
Ze komen aan de weet dat de paarden de rijdieren waren van een man en een dwerg. Goblinhoofdman Klarg heeft deze ontvoering georkestreerd op vraag van de goblinkoning. De twee moesten overgebracht worden naar Kasteel Spitsmuil. De koning zou handelen in opdracht van “De Zwarte Spin”. Het kost niet veel verbeeldingskracht om te beseffen wie de ontvoerden zijn: hun opdrachtgever Gundren Steenzoeker en Sildar Halwinter. Gundren is inderdaad al overgebracht, maar Sildar bevindt zich nog in het naburige goblinkamp.
De groep knevelt de goblin en voert een geanimeerde discussie. Luatha ziet er geen been in rustig verder te trekken naar Phandalin. Als hun opdrachtgever niet kan betalen, zal er heus wel een andere manier zijn om schadeloosstelling te krijgen. Leanna fronst bedenkelijk: iemand in de klauwen van goblins achterlaten, lijkt behoorlijk harteloos. Maar wie moet ze eerst proberen te redden: de ridder die dichtbij gevangen zit, of de dwerg die haar ooit het leven redde? Mabon maakt het allemaal niet uit, zolang hij maar een heroïsche daad kan stellen. Aurea daarentegen zet een stevige zaak op ten voordele van het plan ‘red ridder Halwinter’. Hij is dichterbij, zo stelt ze, het goblinkasteel zal een stuk lastiger in te nemen zijn met vier dan een simpel goblinkamp, én misschien krijgen ze op deze manier meer informatie over wat hier precies gaande is. Mabon merkt scherp op dat ze wel erg gemotiveerd lijkt en Aurea moet schoorvoetend toegeven dat ze politieke plannen heeft waarin Silder Halwinter een belangrijke rol speelt. Niettemin weet ze de rest te overhalen en er wordt koers gezet naar het kamp.
~
De kar wordt goed verborgen in het struikgewas en met een geknevelde goblin op kop gaan ze op pad. Die gniffelt kwaadaardig wanneer Luatha bijna in een goblinval trapt, maar de lichtvoetige halfling weet de strik te ontwijken en Aurea net op tijd te waarschuwen.
De goblin wordt stevig ondervraagd over wat ze in het kamp kunnen verwachten en daarna gekneveld achtergelaten: het is duidelijk dat zijn aanwezigheid meer kwaad dan goed zal doen.
Leanna neemt de leiding. Met haar superieure kennis van het woud weet ze de groep nog diverse valkuilen en andere verrassingen aan te wijzen. Wanneer een grot in het gezicht komt, sluipt ze zachtjes naderbij. Verscholen tussen de bramenstruiken zitten twee wachters op post, maar de natuurmagiër laat met een snelle beweging van haar hand de struiken tot leven komen: een doornige zweep rukt één van hen tevoorschijn, die meteen door een vuurschicht van Aurea wordt neergeschoten. Terwijl de tweede wachter zijn pijlen aan Mabon verspilt, sluipt Luatha achterom. Door de dichte bramenkluwens kan ze amper iets zien, maar ze laat zich niet uit het veld slaan. Gespitst op de minste beweging spant ze haar boog, mikt geduldig, en laat dan haar pijl vliegen. Een verbijsterde Mabon ziet dwars door het struikgewas een pijl komen aanzoeven die de goblin recht door het hoofd treft en dood doet neervallen.
Behoedzaam gaat de groep de grot binnen. Een zwaar gegrom doet Leanna andermaal de leiding nemen. Ze glipt een zijgrot in en treft daar drie wolven, vastgemaakt aan een stalactiet. Ze grommen en happen naar elkaar uit frustratie. Terwijl de rest verschrikt achteruitdeinst, zet de halfelf rustige stapjes voorwaarts. Ze strekt een hand naar de grootste van de troep uit en probeert hem te sussen. Het beest besnuffelt haar even, maar trekt dan dreigend zijn bovenlip op. Leanna roept echter haar magie te hulp en dringt door tot de geest van de wolf. Meteen drukt hij zijn snuit tegen haar aan en snauwt en grauwt tegen de andere wolven tot ze doorhebben dat zij hun vriendin is.
Mabon heeft aan de andere kant van de grot een steenhelling ontdekt en klautert omhoog. Daar hoort hij diverse goblinstemmen in gesprek. Onwillekeurig trapt hij een paar steentjes naar beneden, en een zware stem sommeert om poolshoogte te gaan nemen. Mabon kan onmogelijk tijdig weer geruisloos verdwijnen en neemt zijn toevlucht tot één van de trucjes die hij als kind van zijn volksgenoten leerde: hij roept de illusie van een leeg, donker gat op. Een verbijsterde goblin tuurt naar beneden, zijn kop vlakbij die van Mabon, zonder ook maar iets te zien. De gnoom beseft zijn fout te laat: goblins kunnen in het donker zien, dus helemaal ‘niets’ zien, is al even verdacht. Hij reageert echter vlot, sleurt de goblin naar beneden, doorsteekt hem met één snelle beweging en gooit hem de helling af. Nadat hij nog even snel heeft gegluurd wat er boven te zien is, gaat hij verslag uitbrengen: boven is een grote grot met een brandend vuur dat een massa buit verlicht. Behalve een gewone goblin heeft hij ook een wolf en een soort grotere goblin gezien.
Dankzij de ondervraging van hun eerder gevangen goblin weten ze dat de gevangen ridder in de ‘‘eetgrot’’ zit opgesloten, duidelijk ergens anders dan de grot boven hun hoofd. Ze sluipen dus dieper het grottencomplex in, zo zachtjes mogelijk, want het kampement heeft in totaal zo’n twintig inwoners. Luatha moppert zachtjes over de donkere grotten: in tegenstelling tot haar groepsgenoten kan ze niks zien in het donker. Wanneer iemand suggereert een lamp aan te steken, maakt ze hen echter weinig vriendelijk uit voor idioten – hoeveel duidelijker kunnen ze nog maken waar ze zijn?
In de hoofdgang wordt de groep opgemerkt door een goblin, die op een brug de wacht houdt. Zijn reactie is verrassend: hij lijkt de benen te nemen, maar niet veel later dondert een gigantische waterstroom naar beneden. Het grootste deel van de groep weet tijdig een zijgang in te schieten, maar Leanna wordt meegesleurd. Ze klampt zich nog vast aan haar nieuwe wolvenvriend, maar het mag niet baten: ze wordt helemaal naar buiten gespoeld. Gelukkig is ze zacht geland op de dikke wolvenvacht en niet veel later komt het druipende tweetal weer naar binnen.
Luatha is er nu helemaal klaar mee: ze heeft helemaal geen zin meer in de grotten waar ze geen hand voor ogen ziet. De halfling is gewend om rond te sluipen zonder gezien te worden en het omgekeerde bezorgt haar de kriebels. Aurea wil echter van geen wijken weten: ridder Halwinter moet en zal gered worden en daarmee basta. Mabon heeft inmiddels een kleine voorverkenning uitgevoerd en weet bijna zeker dat hij de ‘eetgrot’ heeft gevonden. Er is echter een probleem: om daar te komen moeten ze door een nauwe gang, over een platform dat goblins houdt, en wellicht ook wel een gnoom of een halfling, maar geen tieflings of halfelfen! Aurea kijkt Luatha verwachtingsvol aan en drukt haar een lamp in de hand. De kleine dief klemt boos haar tanden op elkaar en spant haar boog… om de goblin op de brug die was weergekeerd een pijl door zijn keel te jagen.
Mabon heeft niet op haar gewacht en is de ‘eetgrot’ binnengedrongen. Daar treft hij echter tot zijn ellende niet minder dan vijf goblins die hun potje zitten te koken. De gnoom trekt onvervaard zijn degen en doorsteekt de eerste, maar moet dan wel terugtrekken voor de woedende overmacht die overeind springt. Aurea bespeurt het gevaar, wringt zich naar voren en brengt haar magie in gereedheid. Zodra ze een glimp groen ziet, vuurt de tovenares een spreuk af. Het is ineens stil en Mabon kijkt verbijsterd over zijn schouder… naar vier snurkende goblins.
Mabon en Luatha zetten zich aan het werk om de slapende vijand te kelen, maar zijn pas halverwege wanneer een autoritaire goblin verschijnt die een gevangene meesleept en de groep sommeert onmiddellijk hun wapens te laten vallen als ze niet willen dat de mens het met zijn leven moet bekopen…
Waauw, wat een avontuur! :D
BeantwoordenVerwijderenEn dat is nog maar het begin! ;-)
Verwijderen