Aurea heeft al een plan klaar: ze wil de Roodmerken
hervormen tot stadsmilitie voor Phandalin. Wanneer Mabon haar nogal sceptisch
duidelijk maakt dat hij niet ziet hoe dat moet werken, wuift ze zijn bezwaren
weg: deze ruwe brokken zal ze wel slijpen tot nuttige bouwstenen. Met een
geldelijke vergoeding… of een beetje welgekozen intimidatie.
Mabon laat zich tot dat laatste vlot overhalen. Met het
afgehakte hoofd van Glastaf flankeert hij de tovenares wanneer die de deur van
de barakken opengooit, de vloer laat daveren en met donderende stem verkondigt
dat er een nieuwe Glastaf is. Wanneer de aanwezige soldaten zien dat ze de staf
van de verslagen tovenaar draagt, en het hoofd van hun voormalige gevreesde
leider in de vuist van de gnoom opmerken, sluiten ze zich maar al te snel bij
haar aan. Daarna wordt koers gezet naar de gelagkamer, waar de rest van de
bende samenzit. Maar niet voor Leanna haar belofte heeft vervuld. De rest van
de groep kijkt verbaasd toe hoe de fijnzinnige halfelf de rest van het lijk van
Iarno Albrek naar haar favoriete nothic heeft gesleept, om als voedsel te dienen.
Luatha-Eimh houdt zich wijselijk een beetje op de
achtergrond terwijl Aurea haar intimidatietactieken herhaalt. De gehoornde
tovenares weet andermaal indruk te maken, behalve op vier dronkenlappen die
lallend aan een tafeltje zitten te dobbelen. De groep rekent zo snel met hen
af, dat de rest van de Roodmerken maar al te snel inbindt: Luatha schiet
vanachter de achterdeur tevoorschijn met haar dolken, Leanna weet te vuur en te
zwaard twee van hen neer te halen en Mabons rapier nagelt de laatste aan de
grond.
Eén van hen vraagt of de nieuwe Glastaf ook een verbond
heeft met de Zwarte Spin. Wanneer Aurea dat idee van de hand wijst, raadt hij
haar aan om in dat geval maar af te rekenen met de goblins die in de grotten
zijn gestationeerd.
De groep besluit tot een verrassingsaanval. Wanneer ze de
deur van hun vertrekken openrukken, treffen ze helaas niet een paar kleine
goblins, maar drie forse bugbears, die een goblin aan het kwellen zijn. Aurea
ziet foeterend haar slaapspreuk de mist ingaan en kan niet beletten dat twee
bugbears naar buiten stormen en zich op Luatha-Eimh storten. Mabon springt met
zijn rapier in de hand naar voren en houdt de derde tegen, maar de strijd is
wel erg ongelijk: de dappere gnoom krijgt rake klappen te verwerken.
Leanna ziet het bezorgd aan en roept de magische krachten in
haar binnenste ter hulp. Haar lichaam neemt de vorm van een voormalige gezel
aan: ze verandert in een grote wolvin, die grommend toeschiet en Luatha-Eimh
onder zijn bescherming neemt. De onverschrokken natuurpriesteres kan echter
niet verhinderen dat Luatha nog een laatste klap te verwerken krijgt en ter
aarde stort.
Aurea schiet toe en grijpt de bewusteloze Luatha-Eimh in
haar kraag. Ze sleept haar weg van het strijdgewoel, giet haar een genezend
drankje in haar keel en lokt dan één van de bugbears met magische vuurballen
naar haar toe. Ze wil het beest naar de kloof lokken, in de hoop een andere
wankele brug onder hem te doen instorten. Maar die moeite hoeft ze niet eens te
nemen: de nothic heeft in de gaten dat zijn vriendelijke vleesvoorziener in de
problemen zit… en bovendien zijn lekker dikke bugbears wel smakelijke hapjes.
Hij kruipt uit zijn kloof en sleept Aurea’s achtervolger mee om er stoofvlees
van te maken.
Intussen is Luatha-Eimh weer op de been en schiet op haar
beurt Leanna te hulp, die het zwaar te verduren heeft onder de verwoestende klappen
van de bugbear die ze bezighoudt. Haar kaken klappen en haar klauwen slaan,
maar ze is in haar eentje niet opgewassen tegen haar tegenstrever. Luatha weet
wel raad met een vijand die afgeleid is en valt meteen aan. Wanneer de nothic
ook deze zak vlees komt opeisen, doet ze vriendelijk een pasje opzij om hem de
ruimte te geven en steekt haar zwaard in het hart van de bugbear, die het
onderspit moet delven.
Intussen is Mabon in een lastige positie. Hij was de kamer
van de bugbears binnengedrongen, maar zag toen de uitgang versperd. Na een paar
rake klappen had hij zich laten vallen, in een poging eruit te zien als
oninteressante prooi, maar het mocht niet baten – de bugbear had zijn trucje
door. De gnoom houdt echter koelbloedig zijn hersenen bij elkaar en wacht tot
op het allerlaatste nippertje: wanneer de bugbear zich over hem buigt om hem de
genadeklap toe te dienen, schiet hij als een duveltje uit een doosje overeind
en weet als eerste een dodelijke steek uit te delen.
Aurea is niet bepaald geamuseerd en ondervraagt de
Roodmerkbende streng: zijn er nog meer ‘goblins’, en wat deden ze hier? De nu
nog verder geïmponeerde bende verstrekt alle informatie haastig: de bende was
ingehuurd door de Zwarte Spin om de bevolking te intimideren en avonturiers weg
te jagen. De Zwarte Spin is ook degene die de bugbears had gestuurd om hen in
de gaten te houden.
Wanneer de groep verder de grot doorzoekt, treffen ze in een
aantal cellen angstige gevangenen. Tot grote verbazing van Mabon blijken
daaronder enige bekenden van hem: Mirna en haar kinderen Nilsa en Nars. De
vrouw herkent hem meteen, maar Mabon moet nog een keer goed kijken voor hij Mirna
herkent als de dochter van de alchemist van Donderden – dit is het kleine
mensenmeisje waar hij vroeger mee speelde.
Het doet hem nog meer plezier om deze gevangenen te kunnen
bevrijden van hun onderdrukkers. Bovendien drukt hij Mirna op het hart dat hij
er alles aan doet om Donderden weer in ere te herstellen. Ze is geroerd bij
deze belofte en vertelt hem dat in de winkel van haar moeder nog een
familie-erfstuk is achtergebleven. Dat wil ze hem schenken als dank voor zijn
daden.
Verderop in de grot vinden ze het laboratorium van Glastaf.
Het lijkt erop dat hij daar een onzichtbaarheidsdrankje wilde maken. Ze stuiten
op een Dwergs dagboek. Leanna bladert geïnteresseerd in het oude boekwerk, dat
het dagboek van een zekere Urmon blijkt te zijn. hij verhaalt over de geschiedenis
van de mijn van Phandelver en de magische knots ‘Lichtbrenger’ die daar was
besteld bij de Smidse der Bezweringen, door de priesters van Lathander.
Daarna is het tijd om spijkers met koppen te slaan. Aurea
doet de Roodmerken een voorstel: als ze in dienst willen treden als
ordehandhavers voor de welvarende stad die ze van Phandalin wil maken, dan
zullen ze een mooi, gegarandeerd loon krijgen, in plaats van telkens van de
hand in de tand te moeten leven. Wie weet, als de stad zo bloeiend wordt als
verwacht mag worden, wat voor een belangrijke burgers ze wel niet kunnen
worden? Na enig onderhandelen over wat een ‘mooi loon’ dan wel niet is, gaat de
bende akkoord.
Terug in Phandalin organiseert de groep avonturiers een
bespreking met ridder Sildar en gildenmeesteres Halia. Gildenmeesteres Halia is
zwaar onder de indruk van hun inspanningen en zegt haar steun toe bij het plan
om de Roodmerken om te vormen. Het is haar duidelijk dat de stad in elk geval
‘een’ bescherming nodig heeft, en soms zijn stropers de beste boswachters.
Halia neemt Luatha-Eimh even apart en feliciteert haar met
de nieuwe weg die ze heeft ingeslagen. De kleine halfling weet niet zo goed wat
ze van al deze stimulans richting het rechte pad moet denken. Ze drentelt zenuwachtig van de ene voet op de andere terwijl ze hoopt dat niemand merkt dat ze twee dure bontvachten uit de grot van de Roodmerken onder haar mantel heeft. Het is
alleszins niet onprettig dat mensen haar voor de verandering graag zien komen!
Ridder Sildar wenkt inmiddels Aurea. Ondanks het feit dat
hij haar methodes enigszins voortvarend vindt, heeft hij toch wel waardering
voor haar inspanningen. Nu Iarno Albrek oneervol uit de Herenalliantie is
verdwenen, lijkt het hem een goed idee om een waardig nieuw lid op te nemen, en
hij biedt Aurea aan om voor haar garant te staan. De adellijke tovenares voelt
zich geflatteerd en heeft wel oren naar dat voorstel – het lijkt erop dat haar
inspanningen om de glorie van Huis Corlijn te herstellen nu al enige vrucht
beginnen af te werpen…
Mabon gaat controleren of Mirna goed terecht is gekomen. En
nu de spanningen van het afrekenen met de Roodmerken achter de rug zijn, is er
ook één prangende vraag die hij haar wel moet stellen: weet ze wat er van zijn
familie is geworden? Mirna kan hem tot haar grote spijt niet veel vertellen…
het is een raadsel hoe het met de gnomen is afgelopen bij de verwoesting van
Donderden.
Leanna bladert nog steeds bezorgd door het dagboek dat ze
hebben gevonden. De vage stem op de wind die tot haar spreekt op belangrijke
momenten, dringt erop aan dat de mijn van Phandelver niet in handen van de
goblins mag vallen: daar is te veel macht verborgen. Bovendien kan ze haar
redder Gundren niet zomaar in gevangenschap laten zitten! Rondvragen levert
echter niets op: niemand in Phandalin lijkt te weten waar het kasteel van de
goblins zou moeten liggen.
Wanneer de groep ’s avonds vermoeid weer aankomt bij
Luatha-Eimhs tante Qellina heeft die verrassend genoeg wél een antwoord voor
hen: ze moeten het Reidoth, de druïde vragen! Een druïde? Leanna spitst haar
oren. Dat is alleszins een kennismaking waar ze naar uitkijkt. Het zal helaas
nog even moeten wachten: Reidoth is net afgereisd naar… Donderden. Mabon kijkt
peinzend in het vuur. Het ziet ernaar uit dat ook zijn lotsbestemming aan hem
trekt.
De volgende ochtend vertrekt de groep al vroeg. Voor ze
Phandalin verlaten, gaan ze in de plaatselijke tempel even mediteren en zegen
over hun ondernemingen vragen. De plaatselijke priesteres, die de godin van het
geluk dient, geeft hen graag haar zegen. Ze vraagt hen ook of ze haar in de
nabij toekomst nog eens willen opzoeken: ze heeft een taak die ze hen zou
willen toevertrouwen…
Nadat de nodige rijdieren zijn aangeschaft, twee snelle
paarden en twee temperamentvolle pony’s, vertrekken ze op het spoor van druïde Reidoth.
De dag verloopt rustig, maar de nacht brengt uitdagingen…
Tijdens haar wacht wordt Aurea opgeschrikt door onmogelijk
luid gezoem en weet maar net op de tijd de groep te alarmeren. Gigantische
beesten met zuigmonden, een soort reusachtige muggen, worden schijnbaar
aangetrokken door het vuur. Twee van hen storten zich zoemend op de tovenares,
maar ze werpt een magisch schild op en haalt ze met magische projectielen uit
de lucht. Leanna slingert haar vuurballen en Luatha-Eimh richt haar pijlen zorgvuldig.
Korte tijd later ploft de laatste reuzenmug op de grond en is de stilte van de
nacht weergekeerd.
De groep kan verder rustig slapen, en vertrekt de volgende
ochtend verkwikt weer. Vandaag halen ze wellicht de druïde wel in. Maar het
lijkt erop dat de rust niet van lange duur is: Leanna en Luatha, die
vooroprijden, zien in de verte een groot beest dreigend naderbij komen…
Geen opmerkingen:
Een reactie posten