maandag 23 januari 2017

Vier

Nadere bestudering van de documenten van Glastaf levert de onontkoombare conclusie op dat ze inderdaad de verdwenen magiër Iarno Albrek hebben teruggevonden… in de gedaante van Glastaf, wijlen de bendeleider van de Roodmerken.
Aurea heeft al een plan klaar: ze wil de Roodmerken hervormen tot stadsmilitie voor Phandalin. Wanneer Mabon haar nogal sceptisch duidelijk maakt dat hij niet ziet hoe dat moet werken, wuift ze zijn bezwaren weg: deze ruwe brokken zal ze wel slijpen tot nuttige bouwstenen. Met een geldelijke vergoeding… of een beetje welgekozen intimidatie.
Mabon laat zich tot dat laatste vlot overhalen. Met het afgehakte hoofd van Glastaf flankeert hij de tovenares wanneer die de deur van de barakken opengooit, de vloer laat daveren en met donderende stem verkondigt dat er een nieuwe Glastaf is. Wanneer de aanwezige soldaten zien dat ze de staf van de verslagen tovenaar draagt, en het hoofd van hun voormalige gevreesde leider in de vuist van de gnoom opmerken, sluiten ze zich maar al te snel bij haar aan. Daarna wordt koers gezet naar de gelagkamer, waar de rest van de bende samenzit. Maar niet voor Leanna haar belofte heeft vervuld. De rest van de groep kijkt verbaasd toe hoe de fijnzinnige halfelf de rest van het lijk van Iarno Albrek naar haar favoriete nothic heeft gesleept, om als voedsel te dienen.
Luatha-Eimh houdt zich wijselijk een beetje op de achtergrond terwijl Aurea haar intimidatietactieken herhaalt. De gehoornde tovenares weet andermaal indruk te maken, behalve op vier dronkenlappen die lallend aan een tafeltje zitten te dobbelen. De groep rekent zo snel met hen af, dat de rest van de Roodmerken maar al te snel inbindt: Luatha schiet vanachter de achterdeur tevoorschijn met haar dolken, Leanna weet te vuur en te zwaard twee van hen neer te halen en Mabons rapier nagelt de laatste aan de grond.
Eén van hen vraagt of de nieuwe Glastaf ook een verbond heeft met de Zwarte Spin. Wanneer Aurea dat idee van de hand wijst, raadt hij haar aan om in dat geval maar af te rekenen met de goblins die in de grotten zijn gestationeerd.

De groep besluit tot een verrassingsaanval. Wanneer ze de deur van hun vertrekken openrukken, treffen ze helaas niet een paar kleine goblins, maar drie forse bugbears, die een goblin aan het kwellen zijn. Aurea ziet foeterend haar slaapspreuk de mist ingaan en kan niet beletten dat twee bugbears naar buiten stormen en zich op Luatha-Eimh storten. Mabon springt met zijn rapier in de hand naar voren en houdt de derde tegen, maar de strijd is wel erg ongelijk: de dappere gnoom krijgt rake klappen te verwerken.
Leanna ziet het bezorgd aan en roept de magische krachten in haar binnenste ter hulp. Haar lichaam neemt de vorm van een voormalige gezel aan: ze verandert in een grote wolvin, die grommend toeschiet en Luatha-Eimh onder zijn bescherming neemt. De onverschrokken natuurpriesteres kan echter niet verhinderen dat Luatha nog een laatste klap te verwerken krijgt en ter aarde stort.
Aurea schiet toe en grijpt de bewusteloze Luatha-Eimh in haar kraag. Ze sleept haar weg van het strijdgewoel, giet haar een genezend drankje in haar keel en lokt dan één van de bugbears met magische vuurballen naar haar toe. Ze wil het beest naar de kloof lokken, in de hoop een andere wankele brug onder hem te doen instorten. Maar die moeite hoeft ze niet eens te nemen: de nothic heeft in de gaten dat zijn vriendelijke vleesvoorziener in de problemen zit… en bovendien zijn lekker dikke bugbears wel smakelijke hapjes. Hij kruipt uit zijn kloof en sleept Aurea’s achtervolger mee om er stoofvlees van te maken.
Intussen is Luatha-Eimh weer op de been en schiet op haar beurt Leanna te hulp, die het zwaar te verduren heeft onder de verwoestende klappen van de bugbear die ze bezighoudt. Haar kaken klappen en haar klauwen slaan, maar ze is in haar eentje niet opgewassen tegen haar tegenstrever. Luatha weet wel raad met een vijand die afgeleid is en valt meteen aan. Wanneer de nothic ook deze zak vlees komt opeisen, doet ze vriendelijk een pasje opzij om hem de ruimte te geven en steekt haar zwaard in het hart van de bugbear, die het onderspit moet delven.
Intussen is Mabon in een lastige positie. Hij was de kamer van de bugbears binnengedrongen, maar zag toen de uitgang versperd. Na een paar rake klappen had hij zich laten vallen, in een poging eruit te zien als oninteressante prooi, maar het mocht niet baten – de bugbear had zijn trucje door. De gnoom houdt echter koelbloedig zijn hersenen bij elkaar en wacht tot op het allerlaatste nippertje: wanneer de bugbear zich over hem buigt om hem de genadeklap toe te dienen, schiet hij als een duveltje uit een doosje overeind en weet als eerste een dodelijke steek uit te delen.

Aurea is niet bepaald geamuseerd en ondervraagt de Roodmerkbende streng: zijn er nog meer ‘goblins’, en wat deden ze hier? De nu nog verder geïmponeerde bende verstrekt alle informatie haastig: de bende was ingehuurd door de Zwarte Spin om de bevolking te intimideren en avonturiers weg te jagen. De Zwarte Spin is ook degene die de bugbears had gestuurd om hen in de gaten te houden.
Wanneer de groep verder de grot doorzoekt, treffen ze in een aantal cellen angstige gevangenen. Tot grote verbazing van Mabon blijken daaronder enige bekenden van hem: Mirna en haar kinderen Nilsa en Nars. De vrouw herkent hem meteen, maar Mabon moet nog een keer goed kijken voor hij Mirna herkent als de dochter van de alchemist van Donderden – dit is het kleine mensenmeisje waar hij vroeger mee speelde.
Het doet hem nog meer plezier om deze gevangenen te kunnen bevrijden van hun onderdrukkers. Bovendien drukt hij Mirna op het hart dat hij er alles aan doet om Donderden weer in ere te herstellen. Ze is geroerd bij deze belofte en vertelt hem dat in de winkel van haar moeder nog een familie-erfstuk is achtergebleven. Dat wil ze hem schenken als dank voor zijn daden.
Verderop in de grot vinden ze het laboratorium van Glastaf. Het lijkt erop dat hij daar een onzichtbaarheidsdrankje wilde maken. Ze stuiten op een Dwergs dagboek. Leanna bladert geïnteresseerd in het oude boekwerk, dat het dagboek van een zekere Urmon blijkt te zijn. hij verhaalt over de geschiedenis van de mijn van Phandelver en de magische knots ‘Lichtbrenger’ die daar was besteld bij de Smidse der Bezweringen, door de priesters van Lathander.

Daarna is het tijd om spijkers met koppen te slaan. Aurea doet de Roodmerken een voorstel: als ze in dienst willen treden als ordehandhavers voor de welvarende stad die ze van Phandalin wil maken, dan zullen ze een mooi, gegarandeerd loon krijgen, in plaats van telkens van de hand in de tand te moeten leven. Wie weet, als de stad zo bloeiend wordt als verwacht mag worden, wat voor een belangrijke burgers ze wel niet kunnen worden? Na enig onderhandelen over wat een ‘mooi loon’ dan wel niet is, gaat de bende akkoord.
Terug in Phandalin organiseert de groep avonturiers een bespreking met ridder Sildar en gildenmeesteres Halia. Gildenmeesteres Halia is zwaar onder de indruk van hun inspanningen en zegt haar steun toe bij het plan om de Roodmerken om te vormen. Het is haar duidelijk dat de stad in elk geval ‘een’ bescherming nodig heeft, en soms zijn stropers de beste boswachters.
Halia neemt Luatha-Eimh even apart en feliciteert haar met de nieuwe weg die ze heeft ingeslagen. De kleine halfling weet niet zo goed wat ze van al deze stimulans richting het rechte pad moet denken. Ze drentelt zenuwachtig van de ene voet op de andere terwijl ze hoopt dat niemand merkt dat ze twee dure bontvachten uit de grot van de Roodmerken onder haar mantel heeft. Het is alleszins niet onprettig dat mensen haar voor de verandering graag zien komen!
Ridder Sildar wenkt inmiddels Aurea. Ondanks het feit dat hij haar methodes enigszins voortvarend vindt, heeft hij toch wel waardering voor haar inspanningen. Nu Iarno Albrek oneervol uit de Herenalliantie is verdwenen, lijkt het hem een goed idee om een waardig nieuw lid op te nemen, en hij biedt Aurea aan om voor haar garant te staan. De adellijke tovenares voelt zich geflatteerd en heeft wel oren naar dat voorstel – het lijkt erop dat haar inspanningen om de glorie van Huis Corlijn te herstellen nu al enige vrucht beginnen af te werpen…
Mabon gaat controleren of Mirna goed terecht is gekomen. En nu de spanningen van het afrekenen met de Roodmerken achter de rug zijn, is er ook één prangende vraag die hij haar wel moet stellen: weet ze wat er van zijn familie is geworden? Mirna kan hem tot haar grote spijt niet veel vertellen… het is een raadsel hoe het met de gnomen is afgelopen bij de verwoesting van Donderden.
Leanna bladert nog steeds bezorgd door het dagboek dat ze hebben gevonden. De vage stem op de wind die tot haar spreekt op belangrijke momenten, dringt erop aan dat de mijn van Phandelver niet in handen van de goblins mag vallen: daar is te veel macht verborgen. Bovendien kan ze haar redder Gundren niet zomaar in gevangenschap laten zitten! Rondvragen levert echter niets op: niemand in Phandalin lijkt te weten waar het kasteel van de goblins zou moeten liggen.
Wanneer de groep ’s avonds vermoeid weer aankomt bij Luatha-Eimhs tante Qellina heeft die verrassend genoeg wél een antwoord voor hen: ze moeten het Reidoth, de druïde vragen! Een druïde? Leanna spitst haar oren. Dat is alleszins een kennismaking waar ze naar uitkijkt. Het zal helaas nog even moeten wachten: Reidoth is net afgereisd naar… Donderden. Mabon kijkt peinzend in het vuur. Het ziet ernaar uit dat ook zijn lotsbestemming aan hem trekt.

De volgende ochtend vertrekt de groep al vroeg. Voor ze Phandalin verlaten, gaan ze in de plaatselijke tempel even mediteren en zegen over hun ondernemingen vragen. De plaatselijke priesteres, die de godin van het geluk dient, geeft hen graag haar zegen. Ze vraagt hen ook of ze haar in de nabij toekomst nog eens willen opzoeken: ze heeft een taak die ze hen zou willen toevertrouwen…
Nadat de nodige rijdieren zijn aangeschaft, twee snelle paarden en twee temperamentvolle pony’s, vertrekken ze op het spoor van druïde Reidoth. De dag verloopt rustig, maar de nacht brengt uitdagingen…
Tijdens haar wacht wordt Aurea opgeschrikt door onmogelijk luid gezoem en weet maar net op de tijd de groep te alarmeren. Gigantische beesten met zuigmonden, een soort reusachtige muggen, worden schijnbaar aangetrokken door het vuur. Twee van hen storten zich zoemend op de tovenares, maar ze werpt een magisch schild op en haalt ze met magische projectielen uit de lucht. Leanna slingert haar vuurballen en Luatha-Eimh richt haar pijlen zorgvuldig. Korte tijd later ploft de laatste reuzenmug op de grond en is de stilte van de nacht weergekeerd.

De groep kan verder rustig slapen, en vertrekt de volgende ochtend verkwikt weer. Vandaag halen ze wellicht de druïde wel in. Maar het lijkt erop dat de rust niet van lange duur is: Leanna en Luatha, die vooroprijden, zien in de verte een groot beest dreigend naderbij komen…

Geen opmerkingen:

Een reactie posten