Voor ze alarm kunnen slaan, wordt Leanna rakelings gemist
door een speer die langs haar hoofd zoeft. Luatha-Eimh onderneemt meteen
ondersteunende actie: ze klimt razendsnel in een hoge boom. Leanna stuurt haar
pony snel uit de gevarenzone, terwijl de ogre aan de boom gaat schudden, in de
hoop dat een kleine malse halfling als een sappige appel in zijn handen zal
vallen.
Luatha wordt stevig door elkaar geschud, maar houdt zich
vast, terwijl de rest van de groep van de gelegenheid gebruik maakt om de ogre
onder vuur te nemen. Althans, Leanna en Aurea vuren hun magisch vuur op het
monster af. Mabon vindt de boomschuddende ogre om de een of andere reden zo
hilarisch dat hij amper op tijd bijkomt van het lachen om zijn rapier ‘Klauw’
te laten spreken. Luatha-Eimh ziet dat ze van hem niet veel moet verwachten en
kan met geen mogelijkheid mikken vanuit de schuddende boom. Ze grijpt in elke
hand stevig een dolk en springt pardoes op de schouders van de ogre, die brult
van verontwaardiging. Als een nukkig rijdier probeert hij haar af te bokken,
terwijl ze als een muskiet op hem insteekt. Leanna maakt van de afleiding
gebruik en lanceert een geconcentreerde vlam op de ogre, die als een blok ter
aarde stort, terwijl Luatha lichtvoetig en net op tijd op de grond springt.
Tegen zonsondergang vindt de groep de eerste tekenen van de
ruïnes van Donderden. Het is er akelig stil, de lege stad heeft zelfs geen
dierlijke bewoners. Op een houten paal is een onheilspellend bord getimmerd:
‘Gevaar! Plantmonsters en zombies.’
Mabon haalt er zijn schouders over op. Hij leidt de groep
naar ‘Het Bruine Paard’, de herberg van het dorp, waar ze onderdak kunnen
zoeken voor de nacht. Een geur van gist slaat de groep tegemoet wanneer ze de
drempel overstappen. Vergane vaten en oud brouwersmateriaal ligt er treurig
bij. De groep wil net ook de paarden veilig onder dak brengen, wanneer er
ineens beroering in de gelagzaal komt. Zombies, bedekt met een dikke laag as,
kruipen houterig overeind.
Tot zijn grote afgrijzen herkent Mabon inwoners van het
dorp, bekenden uit zijn kindertijd toen hij hier in Donderden speelde. Hij
bedenkt zich echter geen twee keer: deze dolenden moeten te ruste gelegd
worden. Met zijn rapier in de aanslag vliegt hij eropaf.
Leanna staart met geschokt gezichtje naar de zwartbesmeurde
zombies. “Hun zielen lijden,” mompelt ze ontdaan. Aurea kijkt haar scherp aan
en wijst haar er – tussen twee vuurballen door – op dat zombies alleen lege
hulzen zijn, de zielen zijn allang gevloden. Leanna betoogt vurig dat hun
zielen kunnen voelen dat de lichamen misbruikt worden door duistere krachten,
en de natuurpriesteres trekt met een ritueel gebaar haar kromzwaard. Vervuld
van haar heilige taak snijdt ze als een mes door de zombies, en hakt van de ene
na de andere het hoofd af, terwijl wolken as omhoogzweven. Luatha-Eimh heeft
niet zo’n nobele bedoelingen, maar wil zich vooral deze vieze wezens van het
lijf houden. Ze flitst tussen de wankelende zombies door en plant haar messen
her en der, vlotjes de verblindende aswolken vermijdend.
Wanneer alle zombies te rusten zijn gelegd, verdwijnt een
sombere Mabon naar buiten, om even te bekomen van het gevecht. Hij sleept een
bordje naar de waarschuwingspaal bij de ingang van het dorp en schildert met
rebelse hand: ‘Gevaar! Gnomen.’
Intussen inspecteert Luatha-Eimh met vies gezicht de met as
bedekte vloer. “Kom op, we maken het hier een beetje schoon,” moedigt ze de
rest van de groep aan. Aurea knikt vorstelijk bij dit plan en de adellijke
tovenares maakt met magie een stoel schoon, van waarop ze goedgunstig kan
toekijken terwijl de kwieke halfling met snelle slagen de kamer aanveegt.
Leanna volgt in haar kielzog, salieblaadjes strooiend en zachte woorden
sprekend om de kamer te reinigen van de gekwelde aanwezigheid van de zielen
die, zo verzekert ze de groep, nu zullen kunnen rusten.
Vlak voor het slapengaan vertelt Mabon, die weer helemaal de
oude is, opgewekt over de draak die zijn intrek in de oude toren van Donderden
genomen zou hebben. Hij lacht opgewekt bij de verstenende gezichten die hij als
antwoord krijgt. Een klein draakje, wat is daar nu erg aan? Hij gaat liggen en
valt vredig in slaap. De rest volgt iets aarzelender zijn voorbeeld, en er
wordt een wachtschema opgesteld.
Luatha vindt het allemaal niet zo hilarisch als ze tijdens
het betrekken van de laatste wacht zware vleugelslagen hoort. Ze spoedt zich
naar het raam en ziet een enorme groene draak met een hert in zijn klauwen
overvliegen. Huiverend gaat ze de rest van de groep wekken en vertelt hen dat
ze bij hun verkenning van het dorp voorzichtig zullen moeten zijn. Het
‘draakje’ is zo groot als een huis. Mabon vindt het nog steeds bijzonder
komisch en laat het aan zijn hart niet komen, terwijl hij smakelijk zijn
ontbijt nuttigt en in de bar een boodschap krast voor het geval andere gnomen
hier ooit zouden langskomen.
Toch is het met de nodige behoedzaamheid dat hij de
voorhoede vormt bij de zoektocht naar druïde Reidoth. In het eerste huisje dat
ze binnenstappen, houdt hij de groep al meteen staande. De bomen die daar zijn
opgeschoten, hebben een verdacht menselijke vorm. Leanna bekijkt ze eens goed
en deinst meteen achteruit: deze abominaties zijn volgens oude verhalen
ontsproten aan de staak waarmee een machtige vampier werd gespietst. Zijn
duistere magie vloeide in het hout en bracht deze wezens voort. Ze gooit meteen
een magische vlam naar de twijgwezens toe en Aurea, die ziet dat het vuur
onmiddellijk effect heeft, volgt haar voorbeeld.
Ook in de volgende huisjes treft de groep deze verdoemde
twijgwezens. Ze maken korte metten met hen, tot ze in een intact huisje op
Reidoth stuiten. De druïde waarschuwt hen dat er een duistere kracht rondwaart
in Donderden sinds de vulkaanuitbarsting dertig jaar geleden. Hij heeft,
behalve de draak, boomwezens en zombies, ook grote spinnen aangetroffen. Bovendien
sluipen er aan de andere kant van het dorp gemaskerde figuren rond.
De groep neemt de waarschuwingen ter harte. Vooral
Luatha-Eimh staat klaar om onversaagd en zonder aarzelen Donderden de rug toe
te keren. Mabon daarentegen voelt er niets voor om het dorp uit zijn jeugd
achter te laten, overspoeld door deze duistere dreigingen. Ook Leanna is ervoor
gewonnen om de duistere invloeden weg te wassen. Aurea bekijkt het praktisch:
ze zijn hier om informatie te winnen over het goblinkasteel. En moest Mabon
geen erfstuk ophalen? Dergelijke belangrijke familiestukken moeten
gerespecteerd worden en niet liggen verkommeren onder de as.
Reidoth kan de groep de nodige aanwijzingen verschaffen over
de locatie van het kasteel van de Spitsmuilenstam. Daar zouden een twintigtal
goblins verzameld zitten. De groep overweegt hun kansen. Kunnen ze die
overmacht aan om Gundren te bevrijden? Ze bedanken Reidoth voor zijn informatie
en willen hun pad verderzetten. De druïde wenkt Leanna echter even naderbij.
Hij heeft in haar een gelijkgestemde ziel ontmoet en geeft haar enige adviezen,
waaronder de opdracht om ‘de Weg van het Woud’ te volgen. De halfelf luistert
aandachtig naar zijn woorden… deze druïde kan niet zomaar toevallig op haar pad
gekomen zijn.
Wanneer ze hun zoektocht door Donderden verderzetten,
treffen ze in een ruïne enorme webben. In het midden daarvan hangt een spin ter
grootte van een paard…
Geen opmerkingen:
Een reactie posten